Wat beweegt
Limburg?

Allochtonen in Limburg

Door Sjors van Beek

Een maand lang zette De Limburger de schijnwerper op multicultureel Limburg. Verslaggever Sjors van Beek wilde vooral spreken mét mensen van allerlei achtergronden en niet alleen over hen. Hoe is het om in deze provincie allochtoon te zijn? Hij maakte een reeks boeiende portretten.

Lees de verhalen

Bekijk de cijfers

Julia Zeltserman

Oekraïne

Het Glazen Plafond voor vrouwen, we kennen het allemaal. Maar er is ook een Glazen Plafond voor Limburgers. Of preciezer: voor mensen van buiten die onderdeel van Limburg willen worden.
Dat is de ervaring van Julia Zeltserman (56), geboren in de Oekraïne en inmiddels 22 jaar in Limburg – in Heerlen. "Je moet hier geboren zijn, echt Limburger zijn, om grotere carrièrekansen en een betere maatschappelijke positie te verwerven." Julia voelt zichzelf volledig ingeburgerd: "Ik ben een gelijke, in taal, beleving, dagelijkse gebruiken. Ik ken de codes die hier gelden. Maar uiteindelijk stoot je op dat glazen plafond." Een barrière die wordt gemarkeerd door het dialect. "Vaak wordt me gevraagd of ik het versta. Ja, zeg ik, ik begrijp het wel maar ik spreek het niet. Laatst vroegen goede vrienden me ineens: zou je het dialect niet gaan leren? In de zin van: dat is nóg beter. Het was geen vraag maar een verwachting. En waarom eigenlijk? Iemand die hier vanuit Amsterdam komt leert toch ook geen dialect?”

Chauvinistisch
Ze vervolgt: "Het karakteriseert de houding van veel Limburgers ten opzichte van de wereld om hen heen. Een beetje chauvinistisch. En dat is eigenlijk niet eens verkeerd. Limburg wordt ondergewaardeerd, de Randstad is arrogant. Maar als niet-Limburger word je hier dus maar tot een bepaald punt écht opgenomen. Het is heel erg ‘ons kent ons’ in Limburg.” Opnieuw beginnen in een ander land, het is een grote stap, weet ze. "Mensen realiseren zich vaak niet hoeveel energie, kracht en moeite het kost om de taal te leren, nieuwe gewoontes te leren en je aan te passen.” En dat laatste, het aanpassen, dat geldt ‘voor álles’, zegt ze heel beslist. Ze herinnert zich hoe ze, net in Nederland, brieven aan haar familie thuis stuurde. ,,Ze vroegen me: wat zijn dat voor mensen waar je tussen terecht bent gekomen? Ik antwoordde: als we aan tafel zitten en praten over de toekomst van de kinderen en over eten, dan zijn we hetzelfde. En daar houden de overeenkomsten op. Voor de rest zijn er alleen maar verschillen.”

Voorbeelden
Ze schudt de voorbeelden moeiteloos uit de mouw. "Boterhammen. Hier eet je die voor ontbijt en lunch. Bij ons eten we brood bij de warme maaltijd. Eten: hier eet iedereen om zes uur. In Moskou ging je ’s avonds om 21 uur de straat op en dan was het overal druk. Vervolgens kwam ik in Limburg….. De rolluiken waren ’s avonds dicht, niemand op straat, ik vond het een griezelige ervaring. Ik dacht: waar zijn alle mensen?! En later ontdek je dan dat Nederlanders ook wel degelijk socializen, maar op een andere manier. In het café, in het theater, of ze gaan samen een weekendje weg of zo.” Julia’s Nederlandse avontuur begon in de zomer van 1994, toen ze haar huidige man leerde kennen. Hij was op vakantie in Moskou, zij werkte daar en ze sprak als een van de weinigen Engels. Ze raakten in gesprek, de vonk sloeg over en na een proefbezoek van drie maanden kwam ze in april 1996 definitief over, met haar zoon.

Limburgs accentje
Julia had zich inmiddels al wat Nederlands eigen gemaakt, met een lesboek en met cassettebandjes voor de uitspraak. "Die had mijn man voor mij ingesproken dus ik leerde Nederlands met een Limburgs accentje", lacht ze. Eenmaal hier belandde ze tussen de dialectsprekende familieleden van haar man. "Dus ik vroeg me wel af: welke taal ben ik eigenlijk aan het leren?” Nederlands dus. En dat ging hard. Binnen enkele maanden haalde ze het NT2-examen. "En toen was ik klaar. Dat wil zeggen: met de taal. Want taal en inburgering, dat zijn twee heel verschillende dingen." En die inburgering, die moest nog beginnen.

Diploma's
In haar vaderland was Julia elektrotechnisch ingenieur, en ze had enkele jaren psychologie gestudeerd. "Ik had dus een heel stapeltje diploma’s en die moesten allemaal officieel worden vertaald in het Nederlands. Dat kostte zo’n duizend gulden toen nog. Ik weet het nog goed want we hadden het samen niet breed indertijd.” Om het geld voor de vertalingen bij elkaar te krijgen ging Julia aan de slag bij Nedcar. Een gediplomeerd ingenieur aan de lopende band. "Zwaar werk, monotoon. Ik had een walkman op en onder het werk ging ik door met Nederlands leren. Mijn collega’s waardeerden het erg dat ik hen in het Nederlands kon antwoorden."

Nieuwe functie
Na het vertalen van haar diploma’s kreeg Julia een gesprek met de leiding – en een nieuwe functie als productie-ingenieur. Ze was toen een maand of zes in Nederland. Drie jaar later, bij een reorganisatie van Nedcar, verloor ze haar baan. Via een tussenstap als programmeur belandde ze uiteindelijk bij haar huidige werkgever in België, een tussenleverancier in de auto-industrie. Daar is ze veiligheidsadviseur. In 1999 had Julia, eigenlijk ‘puur voor de lol’, ook nog een diploma behaald als beëdigd vertaler Russisch/Oekraïens/Nederlands. "Dat was gewoon sport voor me, ik wilde bewijzen dat ik het kon."

Waardering
Of taal het allerbelangrijkste is voor een immigrant? "Nee", antwoordt Julia beslist, "een papegaai spreekt ook taal. Het belangrijkste is de houding van de mensen om je heen. Je kunt niet zonder. Mensen moeten welwillend zijn om je op te nemen, te ondersteunen. Je krijgt waardering als je een van hen wilt worden. Maar die waardering moet je dus verdienen. Hoe? Door je aan te passen." Daarbij heeft ze veel steun gehad van haar man en diens familie. "Zonder hen had ik het niet gekund. Mijn man is mijn kleine Nederland. Mijn aanpassingen deed ik volgens zijn richtlijnen, hij is mijn ijkpunt. Aan hem vraag ik hoe iets in Nederland werkt, of iets bijvoorbeeld onfatsoenlijk is en dat soort zaken."

Inburgeren
Ze komt nog even terug op het verschil tussen de taal leren en inburgeren. "Dat laatste heeft te maken met je mindset. Het aanvaarden van bepaalde gewoontes. Je hoeft je die gewoontes niet zelf eigen te maken, maar je moet wel toelaten dat ze bestaan. Neem iets als gay bars. Er zijn mensen die naar Nederland komen en dat soort dingen altijd blijven veroordelen. Het heeft geen zin. Ik zeg: inburgeren betekent dat je burger wordt, met alle rechten én plichten die er bij horen." En Nederland, zo is haar ervaring, maakt vrij. "Ik weet niet of het iets typisch van Nederland is of van heel West-Europa. Maar je kunt hier jezelf blijven. Ikzelf bijvoorbeeld ben na mijn vijftigste begonnen met schilderen. Zoiets was in de Sovjet-Unie heel ongebruikelijk. Dan ging je als vijftigplusser op de kleinkinderen passen, jam maken of in de datsja zitten. Maar je ging niet nog eens een hele nieuwe richting in." Ze denkt even na. "Ik ben eigenlijk wel heel Nederlands geworden", zegt ze ineens. "Of misschien nog wel meer Belgische, door al die jaren dat ik er nu werk. Of eigenlijk: Limburgse. Denk ik. Alhoewel…. Ach, ik kan het niet zo beoordelen", besluit ze.

Terug naar menu >

Aïcha

Marokko

Hoofdpersoon van dit verhaal is Aïcha, een Marokkaanse van midden dertig, ergens in Limburg.
In werkelijkheid heet ze anders. Maar ze wil haar verhaal, bij nader inzien, toch niet in de krant en op de website. Omdat het – volgens haar - niet "positief genoeg" was opgeschreven.

De gang van zaken rond het interview met Aïcha is veelzeggend. Daarom tóch dit verhaal – waarbij de hoofdpersoon anoniem blijft.

Schakel
Het begint allemaal met een mailtje van een collega van Aïcha. Beide dames werken op een onderwijsinstelling. Aïcha vormt de "onmisbare schakel" tussen inburgeraars en de Nederlandse samenleving, schrijft de collega. En ze is een "perfect voorbeeld van een hard werkende vrouw die vol in het leven staat." Of we Aïcha niet willen interviewen in het kader van het lopende project Allochtonen in Limburg?

De vraag terug luidt: wil Aïcha zélf meewerken? Weet ze er eigenlijk wel van? In een tweede mail schrijft de collega: "Ik heb de mail samen met Aïcha opgesteld. Ze vindt het heel leuk."

Positief
Bij aanvang van het interview zit die betreffende collega er eerst nog even bij. Ze zegt: "We hebben afgesproken: we maken er een positief verhaal van, toch Aïcha?”

Aïcha blijkt een uiterst aimabele, vriendelijke dame. Zo'n beetje de eerste vraag aan haar: hoe bevalt het in Nederland en Limburg, als Marokkaanse die bijna twintig jaar geleden naar Nederland kwam voor een huwelijk met een Marokkaanse Nederlander? "Nederlanders zijn wat meer gesloten, ze houden wat afstand. Ik vond het in het begin niet makkelijk om met Nederlanders om te gaan. Vooral niet met een hoofddoek. Dan krijg je op straat geen "hallo" terug”, zegt Aïcha.

Werk vinden
Die hoofddoek, door haarzelf ongevraagd aangekaart, komt al snel nogmaals terug in het gesprek, opnieuw op haar eigen initiatief. "Ik draag een hoofddoek omdat ik het wil. Het is een stukje geloof. (…) Ik merk trouwens wel dat het met een hoofddoek moeilijk is om werk te vinden”, klinkt het Hoe je zoiets merkt, is de vraag? Het is een gevoel, legt Aïcha uit. Zelf heeft ze het nooit meegemaakt. "Maar ik heb een vriendin die ooit niet is aangenomen omdat ze een hoofddoek droeg”. Ook dat was een gevoel van die vriendin, erkent Aïcha.

En ze vertelt dat "Marokkaanse jongeren het gevoel hebben dat ze weinig kans krijgen, op school, met werk. Dat hoor ik in mijn familie, op feestjes, bij kennissen." Haar eigen kinderen hebben dat gevoel niet, zegt ze desgevraagd.

Bewijzen
Later leest ze ineens een paar vragen voor die haar eigen kind, tijdens de voorbereidingen op dit interview, weer aan háár had gesteld. "Mamma, waarom moeten wij altijd bewijzen dat we goed zijn? Waarom verwachten ze altijd dat wij de eerste stap nemen? En waarom moeten wij ons altijd verdedigen? Waarom kijkt iedereen altijd naar het negatieve van Marokkanen, niet naar het positieve? Misschien worden die Marokkaanse jongens daardóór wel crimineel”, aldus haar kind. Of meneer de journalist deze vragen ook even wil beantwoorden.

Bij het scheiden van de markt vraagt Aïcha of ze het verhaal vooraf even mag lezen. Ja hoor, dat mag. Na lezing belt ze. Ze heeft "geen goed gevoel bij het artikel." Haar woorden zijn "goed weergegeven", erkent ze ruiterlijk. Maar toch. "Het voelt niet goed."

Jas aan
Ze geeft een voorbeeld. "We hebben besproken dat inburgeraars soms hun jas aanhouden in de klas. Vanwege religie, omdat er strakke kleding onder die jas zit, heb ik gezegd. Maar óók omdat ze in eigen land dit misschien gewoon gewend zijn. Ik lees in het verhaal alleen het eerste”.

Ze krijgt het aanbod om wat tekstsuggesties aan te brengen die aan haar bezwaren tegemoet komen. Een uur later komt het artikel terug. Het is een volledig nieuw artikel. Geschrapt, herschreven, doorgehaald, toegevoegd, nieuwe formuleringen, en zaken erbij geschreven die in het interview niet zijn gezegd.

Gegroet
Dat ze niet wordt gegroet vanwege haar hoofddoek: geschrapt. Dat het moeilijk is om met hoofddoek werk te vinden: geschrapt. Dat in Marokkaanse gezinnen de opvoeding "soms wel een stukje verkeerd gaat": geschrapt. Er staat nu dat die opvoeding "anders gaat dan in Nederland."

Vrije partnerkeuze voor haar kinderen: geschrapt. Haar uitspraak dat "nergens in de islam staat dat een vrouw geen contact mag hebben met een vreemde man": geschrapt.

Wrijfpunten
Alle wrijfpunten over islam, hoofddoeken en Marokkaanse cultuur, alle kritische opmerkingen uit haar eigen mond tijdens het anderhalf uur durende interview zijn uit het verhaal gehaald. Wel uitvoerig besproken maar het mag niet op papier.

En de reden? Is het schaamte? Is het angst? Is het schrik om de eigen - soms harde - woorden terug te zien? Het wordt niet duidelijk.

Via telefoon en mail volgt nieuw, uitgebreid overleg. Haar wordt meegedeeld dat het niet de bedoeling is dat ze het verhaal volledig herschrijft – temeer niet omdat ze erkent dat haar eigen woorden correct zijn opgeschreven. De citaten kloppen dus, maar toch is het totale verhaal "gewoon niet wat ze had verwacht of gehoopt."

Nagedacht
Ze stuurt een mail: “Ik heb er nog even over nagedacht. Helaas geeft de tekst voor mij niet het juiste beeld van het gesprek dat we hebben gevoerd. Ik heb het gesprek als erg prettig en positief ervaren. Dit is helaas niet het gevoel dat ik krijg vanuit de tekst. Het is voor mij belangrijk dat ik een goed gevoel heb bij deze tekst en dat ik er trots op kan zijn. Helaas heb ik dat gevoel niet en denk ik eigenlijk alleen maar dat ik er misschien problemen door krijg. Ik geef er dan ook de voorkeur aan om het stuk niet te publiceren. Ik wil het morgen ook telefonisch met je bespreken, als je dat wilt. Ik vind het echt jammer, want het was een erg leuk gesprek gisteren”.

Bij De Limburger valt vervolgens het besluit om het oorspronkelijke verhaal niet te publiceren – maar wél een nieuw verhaal te maken over de kwestie, waarbij de hoofdpersoon anoniem zal blijven.

Meer aandacht
Dat wordt Aïcha ook meegedeeld. Nógmaals wordt besproken wat er volgens haar aan het verhaal mankeerde. "Mijn bedoeling was: een positief verhaal. Ik ben heel gelukkig in Limburg en ik ben nooit gediscrimineerd. Dat van moeilijk werk vinden met een hoofddoek moet mijn vriendin zelf maar vertellen. Zelf heb ik deze baan toch ook gevonden mét hoofddoek? En over die partnerkeuze voor mijn kinderen en zo: dat is privé. Maar ik snap het wel, je hebt alleen de gevoelige punten beschreven om zo meer aandacht voor het artikel te trekken”.

Privéleven
Op de vraag welke problemen ze nu precies verwachtte rond het oorspronkelijke verhaal, zegt ze: "In mijn privéleven. Ik heb over mijn kinderen gesproken en zo en dat is gewoon privé. En nogmaals: ik wilde gewoon een positief verhaal”.

En dus vooral geen moeilijk verhaal over interculturele knelpunten.

Terug naar menu >

Fadhel Al Hassouni

Irak

Fadhel Al Hassouni is Irakees. Maar het gesprek gaat deels over Marokkaanse jongeren. Waaiert uit naar opvoeding, discriminatie, de islam en moslims in Nederland.
"Ikzelf ben als moslim in Nederland altijd door iedereen met respect behandeld”, zegt de 64-jarige Fadhel. "Echt, nooit slechte ervaringen gehad. Nederland is niet anti-moslim”. Al zijn de verhoudingen tussen bevolkingsgroepen de laatste jaren wel verslechterd, weet Fadhel. "In de jaren zestig, zeventig, tachtig, zelfs nog negentig waren er helemaal geen problemen. Maar sinds de moord op Van Gogh, en daarna al die aanslagen, terreur, salafisten… Moslims zijn sindsdien in Nederland wél in een slechter licht komen te staan”.

In zijn kantoortje in Heerlen springt Fadhel van het ene onderwerp naar het volgende. "Maar moslims, dat zijn niet alleen Marokkanen en Turken! Er wonen meer nationaliteiten in Nederland, alleen al hier in Heerlen zijn het er 110. Afghanen, Syriërs, Irakezen, noem maar op. Kijk, ik volg op televisie veel van die talkshows, zo’n programma als Pauw. Als het over radicalisering gaat, zijn de tafelgasten altijd Marokkanen. En heel soms een Turk. Nu is het inderdaad wel zo dat als er iets aan de hand is met moslims, het vaak Marokkanen betreft. Op zich ook logisch, het is een meerderheid onder de moslims hier. Maar het werkt in de beeldvorming ook andersom: als er problemen zijn met Marokkanen, zeggen de mensen: daar heb je die moslims weer. Terwijl er met heel veel andere moslims dan Marokkanen helemaal geen problemen zijn in Nederland”.

Hij brengt ze regelmatig te berde, ‘de’ Marokkanen.

- U bent zelf Irakees. Wat weet u van Marokkanen?

"Om te beginnen heb ik veel contact met Marokkanen”, zegt Fadhel. Hij is als vrijwilliger werkzaam als budgetcoach, onder de vlag van welzijnsinstelling Alcander. En hij is voorzitter van de door hemzelf opgerichte SICMP (Stichting Iraakse Cultuur & Maatschappij Parkstad), een stichting bedoeld voor hulp bij integratie en begeleiding van nieuwkomers. Eerst alleen Irakezen, maar tegenwoordig voor bijna de helft andere nationaliteiten, veelal Afrikaans.

"Maar ik heb ook twaalf jaar als docent gewerkt in Noord-Afrika: Marokko en Algerije”, vertelt Fadhel, die voor zijn vlucht uit Irak in 1994 petrochemisch ingenieur én docent scheikunde en natuurkunde was. Hij weet dus wel wat van het opvoeden van kinderen, ook Marokkaanse kinderen, wil hij maar zeggen. Opvoeding, legt Fadhel uit, gebeurt in een driehoek: familie, school en maatschappij. "En als een gezin puur is gericht op geld verdienen, dan gaat het mis. Dan willen de kinderen snel een dikke auto en mooie kleren. Maar ze kunnen niet wachten tot ze netjes een opleiding hebben afgerond en een goede baan hebben waarmee ze iets kunnen opbouwen. Ze willen het allemaal snel, snel, snel. En dan belanden veel van die kinderen dus in de criminaliteit. Dat is een deel van de verklaring waarom het zo vaak mis gaat met Marokkaanse jongeren. Die ouders kwamen hier indertijd met het enige doel: geld verdienen. Ze besteden te weinig aandacht aan de opvoeding. Niet allemaal natuurlijk, er zijn genoeg Marokkanen die het hier hartstikke goed doen. Maar in veel gezinnen is dit wel hét probleem”, analyseert Fadhel.

Daar komt nog bij, zegt hij, dat die Marokkaanse ouders meestal laag waren opgeleid. "En dan is opvoeden extra moeilijk. Als je geen contact hebt met school dan vaar je als ouder dus blind op wat je kind je vertelt. Kinderen misbruiken die vrijheid. Dus ik zou zeggen: práát met je kinderen! Leg hen uit hoe ze zo’n dikke auto op een verantwoordelijke manier óók kunnen krijgen. Veel Marokkaanse ouders doen dat niet, of te weinig. Ze kunnen het niet, door taalproblemen of omdat ze analfabeet zijn”. Al mag de Nederlandse samenleving als geheel ook wel een tandje bijzetten, voegt hij er aan toe. "Het ligt niet alléén aan de Marokkaanse gezinnen! Er is weinig verbinding tussen hen en de maatschappij. We moeten méér contact met hen leggen”.

Ook ten aanzien van radicalisering ziet Fadhel gevaren. "Want ook op dat punt moet je met je kinderen praten. Met wie trekken ze op? En wat zegt de imam precies in de moskee? Die jongen uit Maastricht die is uitgereisd naar Irak, hij was zestien! Minderjarig! Het gezin moet bewaken dat kinderen niet radicaliseren. En als het gezin niet fungeert als waakhond dan gaat het mis”.

Maar wat is dan toch het cruciale verschil tussen Marokkaanse gezinnen en – bijvoorbeeld – Iraakse? Beide immigrantenachtergrond, beide islamitisch.

"Het grote verschil? Dat is het doel waarmee we naar Nederland zijn gekomen. Wij Irakezen zijn vluchtelingen, wij zijn gekomen voor vrijheid en veiligheid, niet alleen vanwege het geld. Marokkanen wel”.

Dat brengt hem op zijn boodschap aan alle immigranten. "Nederland is een mooi land, het geeft ons en onze kinderen alle kansen om een mooie toekomst op te bouwen. Dus ik zou zeggen: grijp die kans ook! Volg onderwijs! Taal is de sleutel tot de Nederlandse samenleving”.

En die samenleving, die behandelt hem goed, benadrukt Fadhel keer op keer. "Ik krijg veel respect hier. Maar als je jezelf aan de regels houdt, aan de normen en waarden hier, dan kríjg je ook respect. Ik ben altijd behandeld als mens. Ik voel geen verschil tussen mij en andere Nederlanders. Doe je job goed, lever je bijdrage aan de maatschappij, en dan word je zelf ook goed behandeld. Niemand die je dan discrimineert hier”.

Uit zichzelf haalt Fadhel een eerder verhaal aan uit deze serie Allochtonen in Limburg. Marokkaanse Maastrichtenaar Hassan Es-Sadki klaagde in een brief aan de krant over ‘indirecte discriminatie’.

Algerijnse Maastrichtenaar Nanou Medjadi reageerde daar geïrriteerd op, en kreeg veel bijval.

Fadhel: "Het is gewoon niet wáár wat Hassan Es-Sadki zegt. Hij roept te gemakkelijk ‘discriminatie!’. Dan moet hij ook met bewijzen komen. Als je op de kieslijst van het CDA staat, dan word je niet gediscrimineerd!”.

Hij pakt een stapel knipsels uit zijn bureaula. "Kijk. Ik ben de afgelopen jaren meermaals geïnterviewd. Hier, en hier en hier. Dat is dus géén discriminatie, als de krant je steeds de kans geeft om je verhaal te vertellen. Ik heb u ook gemaild om met mij te komen praten. Als er echt sprake was van discriminatie, had u de mail in de prullenbak gegooid en was niet gekomen. Maar u zit nu hier”.

Het is echt een fijn land, besluit hij. "We zitten samen in een schip, we ademen allemaal dezelfde lucht. En we moeten samenwerken. Zorgen dat de maatschappij stabiel blijft”.

Terug naar menu >

Hassan
Es-Sadki

Marokko

Dat was een nijdig briefje, vorige week, naar aanleiding van de lopende serie ‘Allochtonen in Limburg’.
Of iets preciezer: naar aanleiding van het beginartikel voor dit project in de krant van maandag 7 mei.

Indirecte discriminatie
Hassan Es-Sadki (69) uit Maastricht vond het maar niks, en liet dat in duidelijke woorden merken. ‘Een tamelijk doelloze en onsamenhangende opsomming van provocerend bedoelde vragen waarin stellingen, meningen en vooroordelen zijn verweven die je als indirecte discriminatie kunt beschouwen. Een negatieve leeservaring’, zo vatte hij het artikel samen.

Allochtoon, vertel het ons
Terugkijkend op dit artikel moeten me een aantal dingen van het hart. Het stuk is in mijn ogen een tamelijk doelloze en onsamenhangende opsomming van provocerend bedoelde vragen waarin stellingen, meningen en vooroordelen zijn verweven die je als indirecte discriminatie kunt beschouwen. Een groot aantal vragen had de journalist zelf kunnen beantwoorden als hij onderzoek had gedaan. Het labelen van mensen in groepen zonder recht te doen aan individuele verschillen voelt niet goed. En als je dan toch het gedrag van individuen gelijkschakelt met dat van een groep, waarom worden dan niet, bijvoorbeeld, de prestaties van Marokkanen in het hoger onderwijs benoemd? Ik vond dit een negatieve leeservaring. Ik heb een tegenvraag: wat denkt u als krant te gaan bijdragen aan het verbeteren van de participatie van minderheden?
Hassan Es Sadki, Maastricht

Klare taal. En taal die vraagt om een toelichting. Die wil Hassan ook best geven, meldt hij desgevraagd aan de telefoon. En dus zitten we twee dagen later aan de koffie.

Kennismaking
Eerst maar eens kennismaken: wie is Hassan Es-Sadki? Geboren in Marokko, als 21-jarige naar Nederland gekomen. Gewerkt in de fabriek, "net als iedereen toen”, inmiddels gepensioneerd. Zeer actief in de Marokkaanse gemeenschap, de moske en de buurt, daarvoor ook geridderd in 2009. Voormalig raadslid voor de PvdA, eind 2017 overgestapt naar CDA, en bij de laatste verkiezingen niet in de raad verkozen. Wel is hij burgerraadslid.

Wat in het artikel was volgens u ‘indirecte discriminatie’?
"Vragen stellen op de Nederlandse, directe manier is prima. Maar wij allochtonen lezen zoiets toch anders. Toen ik het artikel las vroeg ik mezelf af: wat is de bedoeling? Wil je mensen helpen of ze in de put duwen? Zo ervaren wij dat. Het gaat om de toon, hè. C’est le ton qui fait la musique."

En wat precies maakte u zo boos in dat artikel?
"De fout die Nederland heeft gemaakt is dat er vroeger niet is geluisterd naar onze verhalen. Vroeger dacht men: die Hassan, dat is een arbeider, die heeft niet op school gezeten. Mensen waren bevooroordeeld, er was een afstand tussen u en mij. We werden gezien als minderwaardig, het beleid was om ons dom te houden. We waren hier om te werken en verder niet. Tussen 1970 en 1990 is daarmee een hele generatie in feite overgeslagen. Maar nu is het anders! De samenleving is verkleurd. Nu participeren allochtonen wél, we schrijven ook stukken in de krant en zo, maar we moeten hen nog meer aanzetten om mee te gaan praten. Kijk eens Maastricht: zó veel allochtone bedrijven, taxibedrijven, horeca. Aan de universiteit enorm veel allochtone studenten, in het AZM heel veel allochtone artsen. Tegenwoordig is het heel normaal als je een donkere arts hebt. De effectiviteit en de betrokkenheid van allochtonen is enorm, het zijn op hun manier Maastrichtenaren, ze doen méé. Maar veel mensen hebben er nog steeds geen oog voor.”

Maar wat is het probleem volgens u dan?
"We moeten nog veel méér investeren! Kiezen voor nóg meer diversiteit in de stad. Neem nu de gemeente: aan de balies werken wel een paar allochtonen, maar het zijn er niet genoeg. Of kijk naar de besturen van sportverenigingen, van scholen. Te weinig allochtonen! Het wordt tijd dat we mogen meebeslissen, meedoen als gewone Maastrichtenaren.”

En hoe komt het dat er te weinig allochtonen in besturen zitten?
"De clubs kunnen de mensen niet bereiken. Of…. er zijn clubs waar een paar vriendjes zitten die geen verandering willen. Ik ben zelf eigenlijk ook wel benieuwd wat de oorzaak is. Feit is dat de allochtonen meer benaderd moeten worden om mee te doen. Dit is ook óns land."

Moet zoiets niet ook van twee kanten komen? Mimoun Boulbaroud, secretaris van de moskee in Venlo, zei laatst dat vrijwilligerswerk onder Marokkanen, en zeker onder de oudere generatie, niet heel vanzelfsprekend is
"Het is waar dat vrijwilligerswerk in Marokko niet heel veel voorkomt. En áls het al voorkomt is het voor religieuze doeleinden. Hier in Nederland gebeurt het meer op sociale gronden, en terecht! Maar vergeet niet; hier heeft iedereen een salaris of een uitkering, in arme landen zoals Marokko niet. Je kunt geen vrijwilligerswerk doen als je een lege maag hebt. Maar daarnaast is het systeem hier in Nederland nog niet open genoeg. Een gemeente moet zorgen dat clubjes voor iedereen toegankelijk worden. Kijk nou eens naar het aantal arbiters in het voetbal. Bijna geen allochtonen! Een gemeente moet dan tegen zo’n club zeggen: luister, we geven je subsidie, maar dan moet je wel bijdragen aan integratie."

Meer allochtone scheidsrechters? Dat is toch geen taak van de gemeente?
"Het klopt dat zoiets in principe uit de persoon zélf moet voortkomen. Maar instanties moeten zich óók veel intensiever inzetten voor diversiteit. Hoe open ben je als organisatie? Als er acceptatie is kun je zaken veranderen. De tweede generatie is al vijftig jaar hier. Wat heb je hen te bieden? Mensen moeten worden gestimuleerd om mee te doen, dat is uw en mijn taak."

En hoe kan dat stimuleren concreet vorm krijgen?
"Als ik bestuurder was, zou ik beginnen met trainingen. Leer allochtonen wat er bij komt kijken om in een bestuur te zitten of om vrijwilligerswerk te doen. Leer hen vergaderen, omgaan met mensen of met kinderen, dat soort dingen. Leg hen uit hoe politiek besluitvorming werkt.

* Heeft - naast de Nederlandse samenleving - de Marokkaanse gemeenschap zelf ook steken laten vallen tijdens het hele proces van integratie?

"Ik verwijt mijn eerste generatie dat ze zichzelf te weinig de vraag stellen: ben ik een goede burger? Als je niks uitvoert voor je burgerschap, ben je in mijn ogen dus geen goede burger. Kijk, als je ’s nachts om één uur voor een rood verkeerslicht staat en je stopt, dán ben je een loyaal burger. Als je je netjes gedraagt ook als niemand kijkt, dán ben je degelijk geïntegreerd. Een goede burger laat zijn sporen na in de samenleving, als mantelzorger of hoe dan ook. Dat streven moet iedereen hebben. En de eerste generatie van de Marokkaanse gemeenschap heeft toch wat te weinig geparticipeerd, te weinig deelgenomen aan inspraakbijeenkomsten en dergelijke."

Hoe komt dat, denkt u?
"Die eerste generatie begreep de samenleving niet goed. Maar er was ook te weinig acceptatie. We waren hier alleen om te werken. Er was geen bijsturing en er was geen tijd voor participeren en integreren. Maar als je een Marokkaan goed benadert staat hij zeker open voor integratie en contact met Nederlanders.".

Nu gaat het met Marokkaanse jongens niet altijd even goed….
"Dat klopt. Ze schaden ons imago. Maar zijn dat Marokkanen of Nederlanders? Ik zeg: Nederlanders, ze zijn hier geboren. Als hun onderwijzers beter hun best hadden gedaan waren die jongens misschien beter terecht gekomen. Of kijk naar die Marokkaanse drugsdealers. Wie gebruikt die drugs, en wie verkoopt hen de drugs? Dat zijn autochtonen! En soms denk ik wel eens: die jongens verzetten zich gewoon tegen de samenleving omdat ze toch al het gevoel hebben dat ze er niet bij horen. Of het echt zo is…? Ik weet het niet… misschien is het ook gewoon een excuus om snel rijk te worden."

Wie is er verantwoordelijk als die jongeren ontsporen, de ouders of de samenleving?
"Een hele moeilijke discussie…. Gebrek aan goede opvoeding, aan goede scholing, geen acceptatie door de maatschappij, geen werk vinden…. Kijk, ik kan mijn kinderen niet goed opvoeden als ik zelf niet ben opgevoed. In Marokko doen de ouders, de buurt, de ooms en tantes mee met de opvoeding, iedereen helpt. Hier ben je alleen. En de discipline op scholen is soms ook ver te zoeken. Bij de school van mijn kind werd gerookt. Ik ben toen naar de directeur gestapt en heb gezegd: wat doe je er aan? Hij zei: niets. Persoonlijk vind ik: je kunt niet altijd zeggen dat het de schuld van de ouders is. Je vertrouwt je kind voor een deel van de tijd toe aan de school, toch?”

Bij het afscheid zegt Hassan: "Misschien moeten we aan het einde van dit project eens een stadsdebat organiseren over dit soort vraagstukken."

Terug naar menu >

Jenifer Linssen

Colombia

Ze meldt zichzelf bij de krant, want ze wil wel wat vertellen over haar leven als Colombiaanse in deze provincie. "Ik woon hier al 23 jaar en merk van beide kanten de onrust."
Dat intrigeert. Welke onrust? Dus daarover voeren we een gesprek.

Een paar uur later mailt ze dat ze er toch liever weer van afziet. "Veel mensen hier in het dorp kennen me en ze zullen hun oordeel klaar hebben en dan komen we misschien in een nadelig daglicht te staan. Met mijn verhaal strijk ik misschien sommige mensen tegen de haren."

Wéér een week later stemt ze alsnog in met publicatie, mits anoniem.

En nadat het artikel in geanonimiseerde vorm online is gezet, neemt ze nógmaals contact op. "Het is precies goed onder woorden gebracht wat ik wilde zeggen. Daar ben ik heel erg blij mee. Kan mijn naam er alsnog bij worden gezet?"

Hier dus het verhaal van de 30-jarige Colombiaanse Jenifer Linssen. Woonplaats: Tegelen. Als kind van zes kwam ze naar Nederland, met haar Colombiaanse moeder die een relatie met een Nederlander kreeg. "Ik voel me nog steeds geen Nederlandse. Toen ik kwam wilde ik steeds terug en ik heb eigenlijk nooit geaccepteerd dat ik hier nu woon. Het is wel fijn hier, maar je merkt toch dat je anders bent".

Buitenbeentje
Op de lagere school was ze altijd het buitenbeentje. "Omdat ik buitenlander was". Op de extra taallessen raakte ze bevriend met andere allochtone kindjes: Marokkanen, Polen, Zuid-Amerikanen. "Want wij waren sámen buitenbeentje". Op de middelbare school verdween dat gevoel. "Toen kwam ik tussen meer buitenlanders te zitten". Inmiddels werkt ze in de zorg.

Haar zus is juist wel helemaal vernederlandst, zegt Jenifer. "Zij heeft de normen en waarden van hier overgenomen: meer op jezelf zijn, niet zo vaak samen met andere mensen. In onze cultuur ben je juist vaak met alle mensen in de straat.

Maar hier is het als buitenlander lastig om er tussen te komen, iedereen zit in zijn eigen kringetje. Ik heb weinig contact met de ‘echte’ Tegelenaren".

Sjmoerk
Soms wordt ze vreemd bekeken, nog altijd. "Als ik in een café kom, dan kijken de gasten wel eens om, zo van: die is anders, die hoort hier niet. Een keer hoorde ik mensen fluisteren: ‘Waat môt dae sjmoerk heej?’. ‘Sjmoerk’ is het dialect hier voor Turken en Marokkanen. Ik word er vaker voor uitgescholden. Op de markt roepen ze het me zelfs na: hé, sjmoerk!"

Maar Jenifer, lichtgetint, gitzwarte haren, merkt ook hoe ze door ‘de andere kant’ – haar woorden - met enige argwaan wordt bekeken. "Marokkanen en Turken van de oudere generatie kijken me heel vies en veroordelend aan als ik met hoge hakken en make-up door het dorp loop. Ze denken dat ik moslim ben en me niet netjes volgens de voorschriften kleedt. In hun eigen taal roepen ze me dan dingen na, geen idee wat".

Dat vindt ze het meest irritante: dat "allebei de kanten gelijk hun oordeel klaar hebben."

Moslims
"Moslimmannen zeggen wel eens dat ik als vrouw dit of dat niet mag. Niet in een café zitten bijvoorbeeld. Dat ergert me! Ik ben Colombiaanse, Zuid-Amerikaanse, katholiek. Wie denken die moslimmannen wel dat ze zijn, dat ze zo tegen me praten?! Ze zitten zelf ook in het café!! Kijk, die islamitische vrouwen kiezen er zélf voor om zo te leven. Maar ik niet. Ik hou er niet van als mensen hun mening aan mij opdringen. Het is niet míjn geloof hè."

Veel moslims hebben ook een oordeel over Nederlanders, zegt ze. Maar omgekeerd hebben veel Nederlanders de mond vol over moslims – in negatieve zin. "Terwijl er tegenwoordig zóveel moslims zijn die zich wél aanpassen, volledig meedraaien in de maatschappij, gewoon werken. Veel moslimklasgenootjes van me zijn heel succesvol geworden. Weet je, de meeste mensen die het hardste klagen over moslims hebben zelf een uitkering. Ze klagen vanwege dingen die ze zien op tv en social media en dat vind ik wel triest. Waarom gaan ze niet eens naar de moskee hier? Dat heb ik zelf ook gedaan en dan zie je hoe open en aardig de mensen daar zijn."

Moederland
Eén keer is ze op vakantie geweest in haar moederland. "Het was fijn, maar ook heel veel indrukken. Ik heb altijd gezegd: als mijn kinderen oud zijn ga ik terug. Maar inmiddels woon ik al zó lang in Nederland…. Ik weet het niet."

Ze komt nog even terug op wat haar opvalt aan ‘de Nederlandse cultuur’. "In positieve zin: als mensen weten hoe je bent accepteren ze je wel en stellen ze zich ook open. Maar in negatieve zin: heel veel mensen hier zijn racist, maar ze zeggen het niet openlijk. Vooral hier in Limburg. En het zijn de ouderen, niet zozeer de jongeren. Je merkt het gewoon als je op straat loopt."

Want dan roepen ze ‘sjmoerk’.

Terug naar menu >

Mimoun Boulbaroud

Marokko

Het is eigenlijk een soort wandelende Toren van Babel, deze Marokkaanse Venlonaar Mimoun Boulbaroud (43). Nogal wat talen lopen door elkaar heen in zijn leven.
Mimoun, vmbo-docent en secretaris van moskee Al Houda in Venlo, is geboren in Berkane, Noord-Marokko. Zoon van een klassieke gastarbeider die - na enkele jaren alleen in Nederland - zijn gezin liet overkomen. Mimoun was drie toen hij, kersvers in dit kikkerlandje, in de Bijlmerachtige flat de Knoepert in Blerick belandde. Na enkele jaren verhuisd naar de omgeving van het VVV-stadion in Venlo, vervolgens naar Utrecht - vanwege de liefde, een Utrechtse van Marokkaanse komaf. "Maar", zegt Mimoun, "ik kreeg heimwee. Ik miste Limburg, de rust, de kalmte". Ieder weekend reisde Mimoun terug naar Venlo, maar na een jaartje verhuisde hij, met zijn vrouw, toch terug naar deze contreien. Eerst Tegelen, tegenwoordig weer Venlo.

Problemen
"Ik ben tweetalig opgevoed", zegt Mimoun aanvankelijk. "Arabisch en Berbers". Maar in tegenstelling tot de ouders leerden Mimoun en de andere kinderen al snel ook Nederlands. Dat gaf thuis problemen, vertelt hij. "Wij mochten thuis géén Nederlands spreken. ‘Dat doe je maar buiten’, zei mijn vader. ‘Want wij gaan ooit terug naar Marokko en ik wil niet dat je dan je Marokkaanse identiteit bent vergeten’".

Arabisch Met de oudste, nog in Marokko geboren kinderen spraken de ouders dus uitsluitend Arabisch en Berbers. Met de jongste kinderen, die nooit Marokko hadden geleefd, alleen Arabisch. Mimoun op zijn beurt sprak Arabisch met zijn broertjes als vader erbij was, en Nederlands met hen buiten de deur. En dan was er nog het dialect. "Ik had een Nederlands vriendje dat weigerde Nederlands met me te praten. Hij blééf maar Venloos tegen me praten. Langzaam maar zeker begon ik het te begrijpen".

Nog weer later leerde Mimoun Duits, zoals zovelen in grensstad Venlo. En Engels kwam er ook nog bij. "Weet je wel hoeveel talen ik in mijn hoofd heb?", peinst hij ineens.

Koran
Met zijn twee eigen kinderen spreekt hij Nederlands. De afspraak thuis is dat Mimouns vrouw, die goed Arabisch spreekt, in die taal ook met de kinderen praat, zodat ze het ook onder de knie krijgen. Belangrijk omdat Arabisch de taal is van de Koran. "Maar het komt er niet zo van", zegt Mimoun. "Al begrijpen ze het Arabisch wel een béétje".

Mimouns eigen Arabisch is matig, zegt hij zelf. "Ik heb er wel een beetje spijt van dat ik het niet helemaal beheers. Het schrijven en lezen ben ik bijna verleerd". Daar wil hij nog een keer wat aan gaan doen, door bij de Arabische lessen in de moskee aan te schuiven en door Arabische lesboekjes door te nemen.

Dialect
En het Venloos dialect? "Ik spreek het nog steeds wel een beetje. Heel handig. Het maakt een gesprek hier in de regio soms veel makkelijker, de drempel voor contact is een stuk lager. Ik heb een tijdje in een lampenwinkel gewerkt, als mensen dan Venloos tegen me spraken, antwoordde ik gewoon in dialect. Ja, dan zag je wel eens vreemd kijken", zegt Mimoun met een grijns.

Terug naar menu >

Agueda Rodrigo Rama

Spanje

Dochter van een Spaanse gastarbeider. En in de vroege jaren zestig nog een bezienswaardigheid in het dorpje Belfeld, onder de rook van Venlo, aan de boorden van de Maas.
"Als ik naar school liep raakten kinderen me aan. Ze wilden kijken of ik, als donker meisje, niet afgaf", vertelt Agueda Rodrigo Rama (55). Als meisje van anderhalf kwam ze, vanuit het Spaanse dorpje Talavera de la Reina nabij Toledo, naar Noord-Limburg. Ze herinnert zich haar eerste jaren hier niet als een fijne periode - hoofdzakelijk omdat ze een vreemde Spaanse eend in de bijt was.

Anders
"Tot aan de lagere school sprak ik geen Nederlands, en dialect al helemaal niet. Thuis spraken we alleen Spaans, ik was veel alleen thuis met mijn moeder, vader had twee banen. In onze buurt woonden weinig Nederlandse kinderen. En daarbij was ik gewoon een van de eerste buitenlandse kinderen in Belfeld. Ik was anders".
Het gezin werd soms ronduit vijandig bejegend. "We kregen eieren tegen de ramen gesmeten, planten werden uit de tuin getrokken en buurjongetjes riepen ‘Jullie moeten weg, vieze buitenlanders!’ Dat maakte heel veel indruk op me. Het gaf me het gevoel: je bent hier niet welkom".

Toekomst
Haar vader was de klassieke gastarbeider. "Mijn ouders trouwden in november 1960 en in januari 1961 ging vader naar Duitsland. Hij wilde weg uit het Spanje van Franco". Vanuit Duitsland belandde de vader bij de toenmalige ijzergieterij De Globe in Belfeld. Zijn doel: hard werken en een goede toekomst voor zijn vier dochters – van wie er na Agueda drie werden geboren in Nederland. "Mijn vader had in Spanje honger geleden, echt uit prullenbakken gegeten. En hij heeft mensen onder het regime van Franco zien verdwijnen".
Het gezin werd in die beginjaren vreemd en argwanend bekeken, herinnert Agueda zich nog goed. "Een man met twee banen en als een van de weinigen toen een auto. Misschien waren de mensen jaloers, ik weet het eigenlijk niet".

Apart
Vriendinnetjes had Agueda niet echt. "Meisjes zeiden: we mogen niet met jullie omgaan van onze ouders. Ik heb me toen nooit 100% geaccepteerd gevoeld. Nooit werd ik bij mijn naam geroepen, altijd was het ‘dat Spaanse meisje’, ik was altijd ‘dat aparte kind’. De enige bij wie ik me echt op mijn gemak voelde was een meisje wiens moeder Jehovah-getuige was. Want we waren allebei een apart kind".
De jaren daarna werd het beter. Via de mavo in Tegelen en een zorgopleiding in Blerick belandde Agueda uiteindelijk in een baan in het Gooi en later in IJmuiden en Haarlem. "Ik wilde niet in Limburg blijven, ik wilde het huis uit, weg uit Belfeld, naar de Randstad".

Kinderen
Maar na enkele jaren, zwanger van haar eerste kind maar alleenstaand, keerde ze toch weer terug naar Noord-Limburg. "Mijn ouders drongen aan, ze wilden me in de buurt hebben om me te kunnen helpen". Via Belfeld, Blerick en Lomm belandde ze, inmiddels moeder van vier, in Tegelen. Daar schoolt ze, na banen in zorg, horeca en administratie, nu om tot zelfstandig werkend kok.
Ze voelt zich puur Spaanse. "Ik heb de Nederlandse nationaliteit rond 2005 aangevraagd in verband met mijn kinderen, zodat zij de keus hebben welke nationaliteit ze willen. Maar zelf heb ik nooit een Nederlands paspoort gehad".

Geaccepteerd
Na de slechte start als die vreemde Spaanse had ze sinds de lagere school geen echt slechte ervaringen meer. "Vanaf de middelbare school ging het OK, ik bloeide wel op. En later in de Randstad was ik ineens niet langer de Spaanse maar de Limburgse, vanwege mijn zachte g. Maar ik voelde me geaccepteerd, niet langer dat aparte meisje".
Ze peinst even. "De mensen hier in Limburg zijn geslotener. Hier heerst een ‘achter de gordijnen-mentaliteit’. Dat klinkt misschien wat negatief maar zo bedoel ik het niet. Mensen hier willen veel van je weten maar ze spreken je niet rechtstreeks aan. In de Randstad wel. Daar vragen ze gewoon: waar kom je vandaan, wat ben je aan het doen? In Limburg durven ze dat misschien niet zo goed. Ze gluren van achter de gordijnen hoe laat je thuis komt en zo".
Weinig rechtstreeks contact. "En dus, hoe lang je hier ook woont, je bent en blijft een vreemde. Ik hoor dat ook van mensen uit de Randstad die hier in de provincie zijn komen wonen. En mijn vader zei altijd: met carnaval kennen ze je hier allemaal en daarna zegt niemand je meer goeiedag".
Ze heeft het wel eens met kennissen en vriendinnen besproken. "Die zeggen dan: het is niet zo Agueda, jij voelt dat misschien zo, maar wij zien jou écht als een van ons. Ik zeg dan: ja, maar ik voel me niet een van jullie".

Zwakke plek
Oh zeker, voegt ze er aan toe, als alles koek en ei is zijn de mensen vriendelijk en nieuwsgierig, dat is haar eigen ervaring ook. "Maar weet je wanneer je het verschil ineens voelt? Als er een conflict of zelfs maar conflictje is. Dan ineens hoor je: ga terug naar je eigen land, vieze buitenlander. Dan ineens kijken ze niet naar de persoon maar naar de achtergrond. Dan gaan ze je pakken op je zwakke plek. Dat doet iedereen tijdens een conflict, twee Nederlanders onderling ook. Maar míjn zwakke plek is dat ik een persoon ben met een migratieachtergrond. Iemand die het daar vroeger lastig mee had. Al is het tevens óók mijn sterkste punt. Ik ben tegenwoordig best wel trots dat ik een Spaanse ben, met een andere cultuur en een andere achtergrond".

Accent
Grappig genoeg voelt ze die andere achtergrond op bezoek in Spanje ook weer. "Daar word ik uitgemaakt voor Hollandse, vanwege mijn accent en omdat ik hier woon. En zo val je eigenlijk altijd tussen de wal en het schip. Nu vind ik dat niet meer erg. Maar als jong kind zat ik er mee dat ik nergens echt bij hoorde".
En dat schelden, dat maken Syriërs en andere immigranten nu ook mee, zegt Agueda. "Weet je, je wilt je als buitenlander heel graag aanpassen, maar zo tolerant als Nederlanders zeggen dat ze zijn, zijn ze echt niet".
Haar droom is vertrekken naar het buitenland. "Niet uit anti-Nederlandse gevoelens! Maar gewoon om te reizen, de wereld te zien". Een wereld die groter is dan het dorpje Belfeld. "Waar ze ons trouwens nog altijd ‘de Spaanse familie’ noemen", glimlacht Agueda.

Terug naar menu >

Zakaria Bouders

Marokko

Probeer Zakaria Bouders maar eens in een hokje te stoppen. Hij is Marokkaan. Nederlander. Marokkaanse Nederlander. Venlonaar. Marokkaanse Venlonaar. Arabische Marokkaan. Limburger. Europeaan. Om alleen maar even de etnische etiketjes te vermelden.
"Ik ben ook VVV-supporter. En academicus", voegt hij tijdens het gesprek nog wat andere identiteiten toe.
Zakaria is 26 jaar, geboren in Nederland. "In Blerick, gemeente Venlo, boven shoarmazaak Casablanca. Dus ik zeg voor de grap wel eens: ik kom van Casablanca".

Moskeeganger
Opgegroeid in Venlo en later in Beesel. "Een 13-jarige Marokkaan in Beesel". Dat was wat, wil hij maar zeggen. Zakaria studeerde geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen en inmiddels is hij actief als adviseur diversiteitsvraagstukken. Bestuurslid en voormalig voorzitter van cultuur- en dialoog-stichting Noemidia.

Hij is gelovig ‘maar niet dogmatisch en niet de trouwste moskeeganger’. Bij de laatste raadsverkiezingen stond hij op de lijst voor de PvdA. En hij schrijft soms opiniestukken voor deze krant.

Dus. Wie of wat is Zakaria Bouders dan?
Gevraagd om mee te werken aan dit project is het eerste waar hij over begint het ‘migratie-idioom’. "Het woord allochtoon wordt eigenlijk niet meer gebruikt. Tot twee jaar geleden was ik allochtoon. Nu ben ik iemand met een migratieachtergrond. Waarbij je je moet afvragen wanneer iemands migratieachtergrond relevant is en wanneer niet". Hij wijst op het WRR-rapport over deze vraagstukken.

Criminaliteit
We komen te spreken over nut en noodzaak van vastleggen van iemand herkomst. "Enerzijds vond ik altijd: als afkomst zichtbaar is in cijfers, weet je wat er aan de hand is en kun je nadenken over oplossingen. Iemand als de antropoloog Sinan Çankaya vindt dat standpunt stigmatiserend. Ik denk dat we allebei wel een beetje gelijk hebben. Als je alles inkadert vanuit multiculturele vraagstukken, een probleem enkel in die termen ziet, dan ga je langs die lijnen ook de oplossingen zoeken. En dan wordt het een self fulfilling prophecy".

Te theoretisch? Zakaria komt met een voorbeeld.

"Neem de criminaliteit onder Marokkaanse jongeren. Niet elke Marokkaan is crimineel, anders zat in Marokko iedereen in de gevangenis", trapt hij af. "Maar menigeen zegt: die criminaliteit komt door de Marokkaanse cultuur. Als je dat maar vaak genoeg in de krant zet, gaan die Marokkaanse jongens vanzelf zo denken. Dat is al vijftig jaar lang aangetoond in wetenschappelijk onderzoek".

Of neem het terrorisme. "Als je maar vaak genoeg herhaalt dat moslims terroristen zijn, loop je een groter risico dat mensen radicaliseren. Omdat die koppeling onbewust toch in hun hoofd gaat zitten".

Etnisch profileren
Inmiddels heeft Zakaria een soort middenstandpunt. "Als cultuur een duidelijk verklaarbare rol speelt, dan moet je dat kunnen beschrijven, in alle fairness kunnen onderzoeken. Dus óók de culturele factor bij criminaliteit onder Marokkanen. Maar er spelen zoveel factoren mee, er zijn zoveel verschillende verklaringen. De sociaal-economische omstandigheden, het etnisch profileren door de politie, de identiteitsontwikkeling".

Met dat laatste doelt Zakaria op de botsende identiteiten die een individu kan ervaren. "Ik ben hier, in Nederland, opgegroeid, dan heb je automatisch een soort onzekerheid ten opzichte van je Marokkaanse identiteit. Je gaat dus overcompenseren, als een soort oer-Marokkaan". Zoals Nederlandse emigranten zich in Canada soms vastklampen aan klompen en tulpen. "Voeg dat bij een gevoel buitengesloten te worden door Nederland. Beide gevoelens versterken elkaar".

Taalgebruik is ook van belang. "Allochtoon is een besmette term, stigmatiserend, bij voorbaat heb je negatieve associaties. De term Marokkaanse Venlonaar is veel inclusiever".

En daarbij, het hangt eigenlijk allemaal van toeval aan elkaar. "Als ik trouw met een in Nederland geboren meisje is ons kind later geen allochtoon. Is mijn vrouw in Marokko geboren, dan is het kind wél allochtoon".

Het leidt tot de vraag wat Zakaria eigenlijk antwoordt als iemand hem vraagt ‘waar hij vandaan komt’.

Paspoorten
"Eerst zeg ik dan: ik kom uit Venlo. Als ze doorvragen, zeg ik dat mijn ouders uit Marokko komen. Én ik vraag: wat doet het er toe? Ja, ik vind het best vervelend als mensen dat vragen. Ik heb zoveel identiteiten, waarom moet dat Marokkaanse meteen boven aan het lijstje..? Ik wéét dat mensen onbewust allerlei associaties hebben bij mijn afkomst. En ik ben méér dan mijn afkomst".

Zakaria heeft twee paspoorten. "Maar ik ben niet minder loyaal aan Nederland omdat ik ook een carte national van Marokko heb! Dat laatste is wél handig trouwens, met vakantie, of bij een erfenis of als ik een onderneming wil starten in Marokko". Maar stel nu dat Nederland en Marokko in oorlog raken – Zakaria begint er zélf en ongevraagd over. "Waar mijn loyaliteit dan ligt hangt af van de context. Als Nederland Marokko zou binnenvallen zou ik voor Marokko zijn. Maar omgekeerd zou ik voor Nederland zijn".

Nederland of Marokko?
Met voetbal dan? "Hmm… dat is een lastige. Ik denk toch dat ik dan voor Marokko kies, en met een goede reden, ze zijn al zó lang niet op een WK geweest. De underdogfactor dus. Maar als Nederland in de WK-finale zou winnen van Marokko heb ik tóch gewonnen, haha".

Hij wil niet kiezen.

"Degene die me dwingt te kiezen is diegene die me verliest. Ik kan Nederland niet boven Marokko zetten, maar ook niet andersom. Het is alsof je moet kiezen tussen je vader en je moeder".

Terug naar menu >

Galina Yurchenko

Rusland

Dit wordt geen vrolijk verhaal. Dit wordt het verhaal van een Russische die het moeilijk heeft in Nederland. Eigenlijk liever terug wil, maar dat niet zomaar kan.
Galina Yurchenko (49) kwam in 2000 naar Nederland, naar haar Nederlandse man die ze online had leren kennen. Haar achtergrond is complex – mede oorzaak van haar latere problemen. Ze kwam uit Sebastopol op de Krim, toen nog Oekraïne, inmiddels geannexeerd door Rusland. Haar nationaliteit is Oekraïens. "Maar ik voel me Russisch. Ik spreek niet eens Oekraïens", zegt ze in haar woning in Jabeek.

Balkenende
Of het meespeelde tijdens haar aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland, wie zal het zeggen. Feit is dat het negen jaar duurde voordat de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst) akkoord ging. En dat pas nadat Galina en haar partner rechtstreeks brieven hadden geschreven aan premier Balkenende, of hij alsjeblieft wilde bemiddelen. Toen was het binnen twee maanden gepiept. Galina bleef achter met het idee dat het ‘pure treiterij’ was van de IND.

Inmiddels was de wet in Nederland ook veranderd. Om een Nederlands paspoort te kunnen verkrijgen moesten voortaan gewaarmerkte geboorteaktes worden overlegd. Daarvoor is een reis naar Kiev nodig – waar etnische Russen niet meer echt met open armen worden ontvangen. En zonder die Oekraïense officiële zegels is een Nederlands huwelijk óók onmogelijk. Een samenlevingscontract mag wel, en dat is er dus ook.

Zwanger
Twee maanden na haar komst naar Nederland raakte Galina zwanger. De Zuid-Limburgse gemeente waar ze toen woonden had twijfels of de Nederlandse man wel echt de vader was – er kwam een DNA-test aan te pas om het te bewijzen, vertelt Galina.

Door de bureaucratische perikelen en het uitblijven van de verblijfspapieren mocht Galina in Nederland nog niet werken. Een uitkering kreeg ze ook niet. "Ik bestond hier niet. Ik was persona nul", kijkt ze terug. In Rusland/Oekraïne had ze een universitaire graad in biologie en chemie. Hier haalde ze haar staatsexamen Nederlands binnen drie maanden. Om aan geld te komen gaf ze Russische les en deed wat schoonmaakwerk.

Slordig
Omstreeks 2006 kreeg Galina medische problemen: wondroos. "Maar geen papieren en dus ook geen ziektekostenverzekering". Ze is er van overtuigd dat ze om die reden slordig is behandeld door huisarts en ziekenhuis. Pas toen haar been letterlijk zwart begon te worden zagen de artsen de ernst van de situatie in en werd ze alsnog opgenomen. "Twee dagen later en het been had geamputeerd moeten worden".

Ze hebben er later nog een zaak over aangespannen bij het Medisch Tuchtcollege. "Maar het heeft geen zin. Vechten met molens. Don Quichote".

Uitkering
Die strijd met windmolens kwam nogmaals, met eerder genoemde gemeente - waar ze tegenwoordig niet meer wonen. Omstreeks 2010, Galina had inmiddels wél een uitkering, wilde ze een bedrijfje starten. Kleding verkopen op Marktplaats. Van de Kamer van Koophandel had Galina nog nooit gehoord, en tijdens een gesprek met de gemeente ‘vertelde niemand me dat ik geen spullen mocht verkopen’, zo blikt ze terug. Ze is nog altijd verontwaardigd. "Ik had het nota bene zélf aan de gemeente verteld wat ik wilde gaan doen…".

Anderhalf jaar later stond de sociale recherche op de stoep. Ze hadden haar, zo bleek later tijdens de rechtszaak, dertien maanden lang gevolgd. Of ze anderhalf jaar uitkering terug wilde betalen. "Maar waarom zei niemand er eerder iets van?", vroeg ze ook aan de rechter. "Ik voel me niet schuldig. Want het is niet zo dat ik het bewust deed en dacht: de regels boeien me niet. Eerlijk, ik wíst het gewoon niet. Ik ben hoog opgeleid, maar ik voelde me ineens volkomen debiel".

Dus daar zat ze. In Nederland, met twee kinderen en een partner met een uitkering. Het gezin zat financieel volkomen aan de grond. "Niemand wees ons op de Voedselbank. De huur konden we niet meer betalen. De gemeente zei: dat is niet ons probleem. Ik zei: jullie behandelen mij als fascisten".

Scholen
En dan nog diverse botsingen met diverse scholen van de kinderen: voor Galina is Nederland één groot slagveld met instanties gebleken. "En dus worstel ik nu heel erg met mezelf, wat ik van Nederland vind", zegt ze. "Voor de kinderen is het goed hier, en daarmee voor mij als moeder ook. Nederland is eigenlijk ook een geweldig land. Mooie huizen, mooie planten, een sprookje. Maar persoonlijk, als individu, ben ik hier niet blij".

Als alles goed was gegaan, vooral qua papierwinkel maar ook medisch, dan had ze eerder kunnen werken, meer geld gehad, en eerder volwaardig kunnen integreren. "Dan was ik blijer geweest hier. Nu vind ik het eerlijk gezegd verschrikkelijk. Ik ben al achttien jaar aan het vechten hier". Anderzijds, zo troost ze zichzelf: "Hiervóór had ik ook een moeilijk leven. Toen dacht ik: misschien is het in Europa beter". Dat wil ze andere Russische vrouwen ook meegeven: denk niet dat het een sprookje is als je met een Nederlandse man trouwt.

Terug
Ze is erg veranderd, door alle tegenslagen in Nederland. "Toen ik kwam was ik euforisch. Ik was een open, vriendelijk, vrolijk persoon. Nu ben ik als een boze wolf. Ik praat minder met mensen, vertrouw ze niet meer echt. Dat zeggen ze in Rusland ook hè: wie leeft tussen wolven wordt zelf een wolf".

En wat, zo krijgt Galina voorgelegd, als mensen haar verhaal lezen en zeggen: ga dan lekker terug, als het hier niet bevalt?

"Oh, dan heb ik een antwoord!", zegt ze resoluut. "Dan zeg ik: ik zou met alle plezier terug gaan, áls ik alleen was. En niet om het land hè! Maar om wat er met mij hier gebeurd is. Het is op zich een goed land. Maar ik ben mezelf wel totaal verloren hier".

Terug naar menu >

Ilias Alami

Marokko

Een Marokkaanse naam. Maar ‘een oer-Nederlandse canon’, zoals hij het zelf zegt. "Oranje in 1988, de Bijlmerramp, Rons Honeymoonquiz, de aardbeving in 1992 in Roermond: dat is allemaal míjn referentiekader. En door mijn opleiding hier weet ik meer van de Nederlandse geschiedenis dan van de Marokkaanse."
Aldus Ilias T. Alami. 39 jaar oud. Geboren in Geleen, opgegroeid en nog steeds woonachtig in Beek. "Mijn vader behoorde tot de eerste gastarbeiders. Ze kwamen met een hele groep in oktober 1970 en zaten eerst in een pension in Urmond. Hij werkte zijn hele leven bij de Volvo, nu Nedcar."

Ilias tovert een Youtube-filmpje op zijn telefoon tevoorschijn. "Kijk: zo ging dat, met die gastarbeiders toen.

Op eigen kracht
In eerdere interviews in deze serie werd gewezen op het verschil tussen vluchtelingen en Marokkanen. Dat stoorde me wel”, zegt Ilias. "Mijn moeder zei altijd: er is een groot verschil tussen ons en mensen die zijn gevlucht. Vluchtelingen moeten, gevoelsmatig, dankjewel zeggen voor de hulp die ze hier krijgen. In ons geval ligt dat toch anders. Wij zijn gevraagd en hier op eigen kracht gekomen om te proberen hier een goed bestaan op te bouwen."

En migratie in die jaren was nog écht migratie, zegt Ilias. "Ik vind het wel sneu voor die eerste generatie. Zij hebben echt de prijs betaald. Dat telefoontje dat je vader of moeder in Marokko was overleden bijvoorbeeld. In die tijd moest je ook half Limburg door rijden om ergens halal vlees te kunnen kopen. Marokko was gevoelsmatig erg ver weg en die eerste generatie wilde uiteindelijk zijn hele leven terug naar dat Marokko."

"Maar inmiddels zijn ze te oud, te zwak of blijkt Marokko niet meer het Marokko van toen. Die ‘echte’ gastarbeiders, dat waren de échte ontheemden, afgesneden van hun vaderland en hun familie. Ze deden het omdat ze het beter wilden voor hun kinderen. Zelf hebben ze nooit een politiebureau van binnen gezien. En dan die kinderen wel. Het heeft allemaal toch iets heel triests in zich”, zegt Ilias.

Katholiek
Hij groeide op in Beek. "Een katholieke basisschool. Een échte katholieke hè, waar de pastoor op woensdag nog kwam en waar kruistekens hingen en zo. Bij de voorbereidingen voor de Heilige Communie en het Heilige Vormsel maakte ook ik van die stickerboekjes, dat was helemaal geen issue toen. Ook thuis niet."

Daarna Atheneum, een jaar bouwkunde, en uiteindelijk een studie psychologie aan de Universiteit Maastricht. Later nog een studie gezondheidswetenschappen en de docentenopleiding aan de Radboud Universiteit. Inmiddels schoolpsycholoog en docent maatschappijwetenschappen aan een ROC in Heerlen. Getrouwd. Kinderen. En bezig met promotieonderzoek in de sociolinguïstiek. "Over sociale en religieuze identiteitsconstructie onder Marokkaanse jongeren door middel van de standaard-Arabische taal”, lepelt Ilias op. "Mijn vader overleed vóór mijn afstuderen. Altijd was hij bang dat ik op het verkeerde pad zou belanden. Hij heeft niet meer zelf kunnen zien dat ik op het juiste pad ben gebleven."

Goed terecht gekomen.

En toch.

"Je hebt altijd geweten dat je anders bent. Racisme ís er wel. Maar ik wil voorkomen dat dit een zielig verhaal wordt”, zegt Ilias. Hij begint meermaals over de ‘wetmatigheid van de kleine cijfertjes’. "Ik bedoel dit: als je kijkt naar de vele kleine dingen: eens in de zoveel tijd haalt een onderzoek de media waarmee onomstotelijk wordt aangetoond dat allochtonen worden achtergesteld. Bij het vinden van een baan, van woonruimte, stageplek. Een lager schooladvies, ik heb het zelf meegemaakt. Ik kreeg mavo/havo-advies, mijn vader belde de conrector en ik mocht toch naar de havo/atheneum-brugklas. Tien jaar later overkwam mijn broertje precies hetzelfde. Etnisch profileren door de politie: ik heb het zelf meegemaakt. Mijn eerste auto was een Audi A4, ik ben meermaals aan de kant gezet en gecontroleerd. Ik ben geweigerd in disco’s, ik heb bij sollicitaties na twee afwijzingen mijn naam veranderd en toen werd ik wél gebeld. Wat ik wil zeggen: als Marokkaanse jongen, als je niet wordt gevangen door het ene, dan wel door het andere. De kans op negatieve ervaringen is gewoon groter."

Hij bedenkt een vergelijking om zijn gevoel uit te drukken. "Mijn relatie met Nederland is als met een stiefvader. Hij is getrouwd met je moeder, hij brengt je naar zwemles en naar je vriendjes. Heel lief! Maar als moeder en stiefvader samen nog een eigen kind krijgen, zal die stiefvader dat soms, misschien, tóch wat voortrekken. Je voelt het kortom bijna, een klein beetje, als voorwaardelijke liefde."

Liefde die dus kan omslaan of ineens verdwenen zijn.
"Als wij tweeën bijvoorbeeld, als goede vrienden, over politiek zitten te praten. En ineens zeg jij: hoe is dat eigenlijk bij jullie?" Ilias schuift zijn stoel met een ruk naar achteren. "Dan bouw je met zo’n opmerking ineens een kloof in. En dáár begint de loyaliteit dan óók te knagen. Dan voel ik: ik heb de onvoorwaardelijke liefde niet gekregen. Er zit altijd een kanttekening aan. En dat zie je momenteel ook in het landelijke discours. Voor wie ben je? Kies! Ik weet niet of aan het einde van de dag de loyaliteit die je zelf toont, wel wordt beloond."

Het brengt Ilias, psycholoog van beroep, op het gevoel van minderwaardigheid waar veel Marokkanen volgens hem toch mee kampen. "Een gevoel van: accepteer me! Zo van: ik wéét dat wij geen goede reputatie hebben, dus maak ik zelf maar Marokkanen-grapjes om geaccepteerd te worden. Je gaat dingen doen om mensen te pleasen. Om te proberen bij hen de nasmaak weg te nemen."

Maar omgekeerd? Kan een autochtone Nederlander ooit aantonen dat jouw aanname over ‘voorwaardelijke loyaliteit’ ónterecht is?
"Nee”, zegt Ilias na enig nadenken. "Dat klopt. Dat is dus een patstelling."

Of hoe zit het met de acceptatie andersom? Een autochtone ‘kaaskop’-Nederlander mag niet trouwen met een Marokkaanse vrouw. Tenzij hij moslim wordt. Dat helpt ook niet echt bij integratie.
"Lastig”, is de eerste reactie. "Dit hangt samen met geloof en principes rond het geloof. Ik onderken dat we hier nog een pad hebben te gaan. Het is geen kwestie van ‘minderwaardige christenen’. Het is gewoon een islamitische regel: voor moslimvrouwen is het verboden met een christen te trouwen. Overigens bestáán die gemengde huwelijken wel. In mijn directe omgeving zie ik voorbeelden van Marokkaanse vrouwen die met een Nederlander zijn getrouwd nádat hij moslim is geworden."

En als je zelf met een Nederlands meisje was thuis gekomen?
"Ook dat was lastig geworden. Mijn vader drukte ons ook altijd op het hart: blijf Marokkaans spreken. Hij wees me op wie we zijn en waar we vandaan komen. Wij zijn ‘chorfa’, een traditionele Arabische titel die wordt gegeven aan nakomelingen van de profeet. Ik denk dat hij een zekere identiteit en trots mee wilde geven. En misschien heerste bij hem toch het idee dat het uiteindelijk mis gaat als je twee identiteiten mengt, met name als er kinderen komen."

Over identiteiten gesproken. Eerder in het gesprek komen de verschillende Marokkaanse identiteiten uitgebreid ter sprake. Ilias’ vader kwam uit Chefchaouen, iets ten zuiden van Tétouan. "We zijn dus géén Riffijnen uit de Rif”, aldus Ilias. "Wij heten ‘Jbella’, ‘mensen van de bergen’. Onze taal is Darija, een afgeleide van het standaard-Arabisch. Vergelijk het maar met Limburgs als afgeleide van het Nederlands. Wij zijn dus Arabieren, en daarnaast bestaat de bevolking van Marokko uit Berbers. Die zijn weer onderverdeeld in Rif, Sous en Atlas. Hun taal is Tamazight dat ook weer varianten kent."

Mix
De Limburgse Marokkaanse gemeenschap is veel gemengder dan die in bijvoorbeeld Amsterdam, zegt Ilias. "Veel meer een afspiegeling van de totale Marokkaanse bevolking. Een mix tussen Arabieren en Berbers." Zeventig procent van de Marokkaanse Nederlanders is Riffijns, legt Ilias uit, en die verschillen ook echt van de Arabieren. "Misschien hechten Riffijnen nóg meer waarde aan de rol van mannen in het gezin”, geeft hij een voorbeeld. "Er wordt meer verwacht van die jongens. Ze kunnen aanzien genereren door de rol als man naar zich toe te trekken." De broer dus die fel waakt over zijn zus – zelfs als ze ouder is. "Riffijnen op hun beurt zien Arabieren als te modern, al zijn uiteraard niet alle Riffijnen oer-traditioneel”, zegt Ilias.

Criminaliteit
Het gesprek komt op de oververtegenwoordiging van Marokkaanse jongeren in de criminaliteit, en de mogelijke oorzaken hiervan.

Wat Marokkaanse jongens misschien wel wat vaker in de problemen brengt, analyseert Ilias, is hun gebrek aan incasseringsvermogen. "Ik maak het ook mee, als ik bij de Hornbach aan de kassa sta en een Nederlander zegt bijvoorbeeld tegen zijn vrouw: hé, sjuuf eins op, Ali mot d’r langs. Ik kan me dan beheersen. Als er een discussie of zelfs handgemeen komt win ik dat wel, maar wat schiet ik er mee op? Hoogstens dat mensen rond de ontstane situatie denken: dat is er weer zo een. Precies dát kunnen veel Marokkaanse jongeren niet: even iets wegslikken. De eerste generatie was heel inschikkelijk, zo van: kunt u me alsjeblieft helpen? De tweede generatie is in dat opzicht op en top Nederlands: assertief! Oók de meiden! Als iemand in de trein even te lang kijkt beginnen ook zij meteen ‘heb ik wat van je aan of zo!?’ Jammer dat die jongeren niet een beetje weten te laveren. Daarin zie je hun zwakke identiteitsconstructie. De derde generatie beheerst de taal minder, gaat niet jaarlijks naar Marokko en merkt daar hoe Nederlands ze zijn. Wat ben je dan? Nederlandse Marokkaan of Marokkaanse Nederlander?”

Ook opvallend: "Marokkanen zijn oververtegenwoordigd in de groep van uitreizigers naar Syrië. Een deel van die groep wordt gevormd door ex-criminelen. Eerst zaten ze in de hiphop: ruig, duur, sjiek. Alsof ze zich wilden afzetten tegen dat inschikkelijke beeld van de eerste generatie. Dan belanden ze in de criminaliteit, komen uit de bak, en gooien het over een andere boeg. Dan zetten ze een nieuwe stap: het geloof. Op zich niet verkeerd. Maar daar schieten ze dan weer helemaal in door."

Hij baalt er ontzettend van: "Dat de naam van Marokkanen zo bezoedeld is geraakt. Mijn moeder zegt vaak genoeg: de Nederlanders, dat zijn de echte moslims! Ze zijn barmhartig en van goede wil, ze helpen asielzoekers, ze zamelen kleren in voor anderen. En dan schaam je je, hè. Want je wilt die goede wil om je heen toch belonen."

De Vries
Ilias biecht op dat hij, werkend voor een call centre, wel eens de naam ‘De Vries’ gebruikte aan de telefoon. "Gewoon de eerste horde vermijden. Werkte een stuk makkelijker. Maar misschien is dat juist ook wel weer die Marokkaanse minderwaardigheid…”

Een vriend van Ilias is succesvol als eigenaar van vijf grillrooms. "Hij zegt: dit land gééft! In de zin van: als je het land goed bewerkt, kun je oogsten. En ik ben geen ontkenner hè. Ik weet best dat er problemen zijn. Ik moet er ook niet aan denken dat mijn eigen kinderen tot acht uur ’s avonds op straat zwerven. En stom genoeg: als ik een jonge Marokkaan in zo’n dure auto zie rijden dan denk ik zelf óók: hoe kan dat? Maar tegelijkertijd: geef de Marokkaanse gemeenschap ook een beetje tijd om de zaken aan te pakken, zelf ideeën te ontwikkelen. Met de Molukkers en de Surinamers waren vroeger ook problemen. We hebben als gemeenschap een eigen verantwoordelijkheid, dat klopt. Maar we zitten óók in een bijzondere situatie, de zaken zijn enorm gaan slepen en polariseren sinds 2001. Het proces van opgaan in de samenleving of integratie – ik haat dat woord overigens – had veel vlotter verlopen als 9/11 niet was gebeurd. We gaan sindsdien van incident naar incident. Op mijn telefoon maak ik wel eens schermafbeeldingen van nieuwsberichten. Je zou eigenlijk eens moeten turven hoe vaak het over Marokkanen, Turken, islam, asielzoekers of allochtonen gaat. Het geeft een totaal vertekend beeld van de werkelijkheid. De ‘silent majority’ werkt gewoon keihard en doet op zaterdag de boodschappen. Marokkanen en nu ook Turken zitten voortdurend in het oog van de orkaan. Geef moslims en Marokkanen eens een beetje tijd om in rustiger vaarwater te komen. Geef hen wat lucht. Dan kom je dichter bij de oplossing."

Terug naar menu >

Lulu Wang

China

Schrijfster Lulu Wang is vanaf nu de bedenkster van de term ‘smaakvolle discriminatie’. Het is de soort discriminatie waar ze zelf tegenaan loopt.
"Smaakvolle, exquise discriminatie, dat is als mensen zich verwonderen dat ik als Chinese zo origineel met de Nederlandse taal kan omgaan. Taal uit de pen van Lulu, dat is dús foute taal. Die verwondering dat een Chinees zo succesvol kan zijn, dat is geen doodgewone, laagdrempelige discriminatie maar een superbe vorm daarvan", zegt de 57-jarige in China geboren schrijfster.

Vertaler
Twaalf jaar woonde ze in Maastricht, vanaf haar aankomst in Nederland (1986) tot haar verhuizing naar Den Haag. Ze kwam als 25-jarige die nog nooit buiten China was geweest voor een baan aan het instituut voor Tolk en Vertaler in Maastricht. In 1997 publiceerde ze de roman ‘Het Lelietheater’. Het werd een bestseller – waarna Lulu professioneel schrijfster werd.

Ze is terug in Maastricht voor de promotie van haar net verschenen nieuwste boek ‘Nederwonderland’, observaties over de Nederlandse identiteit. Kort voor haar komst mailt een Chinese in Noord-Limburg die anoniem wil blijven aan De Limburger. Of de krant tijdens dit project Allochtonen in Limburg niet ook eens aandacht wil schenken aan gevoelens van discriminatie onder Nederlandse Chinezen. Ze lijden erg onder de grapjes over spleetogen en ‘splaakgeblek’ maar ze zullen de mond niet open doen. Misschien, oppert de Chinese, wil Lulu Wang er wél over spreken.

'Niet alleen van blanken'
Dat wil Lulu wel. Alleen pakt het anders uit dan de Noord-Limburgse mailster wellicht bedoelde. "Discriminatie onder Chinezen? Ik heb er niet zo’n last van", begint Lulu. "Wat me wél opviel toen ik net in Nederland was: discriminatie binnen bevolkingsgroepen onderling. Afrikanen over Afrikanen bijvoorbeeld, dat is echt haat en nijd. Racisme is niet alleen iets van blanken."

Neem Chinezen onder elkaar. "Ze maken opmerkingen dat ze beter zijn dan de ander omdat ze eerder naar Nederland zijn gekomen. Of ze zeggen denigrerend dat je binnen China toch maar uit een arm gebied komt. Dat is pure discriminatie op basis van je afkomst."

Bevoorrecht
Maar misschien, zegt Lulu, is zijzelf niet maatgevend voor wat er speelt. "Misschien weiger ik discriminatie van anderen richting de Chinezen als een probleem te zien. Misschien sta ik er boven. Ik ben namelijk bevoorrecht omdat ik goed ben opgeleid. Dan weet je welke manieren er zijn om je positie te verbeteren." Ofwel: ze weet hoe ze zich moet ontworstelen aan eventuele vormen van achterstelling. "Nederland biedt me de mogelijkheid om geaccepteerd te worden."

Maar toch. Even later zegt ze: "Ik ben een succesvolle auteur. Ik denk dat als ik blond haar en blauwe ogen had, ik minder op de korrel zou zijn genomen. Als ík met woorden speel, schrijven de recensenten dat ik de taal verkracht. Als Simon Carmiggelt met taal speelt, is het geniaal."

Maaiveld
Nederland, gaat ze verder, is een ‘land voor de gewone man, niet voor uitschieters’. "Niet boven het maaiveld, u kent het gezegde. In een groter land als Frankrijk of Engeland mag je wél groter worden, in Nederland niet. Zeker niet als je allochtoon bent. Nederland is klein hè. Een grote boom neemt veel licht weg. In een grote tuin kun je een boom planten, in een klein tuintje niet."

Ze peinst hardop waarom ze door recensenten soms zo extreem hard is aangepakt. "Harder nog dan Gerard Reve. Voorheen zei ik altijd: ik denk dat het komt omdat geen auteur zó snel zo succesvol was als ik. Het woord discriminatie wilde ik nooit gebruiken. Maar nu denk ik dat het wel degelijk discriminatie was. Meteen na mijn eerste boek ben ik de grond in geboord. Terwijl, als je onder gewone mensen vraagt: wie is je meest geliefde auteur, zeggen ze Lulu. Maar ja… het volk kiest niet hè, dat doet de elite."

Pantser
Ze zegt dat ze er geen last van heeft gehad. "Het deed wel pijn, maar ik heb een manier gevonden om er mee om te gaan. Ik heb een pantser gekweekt waarmee ik de weke delen bescherm. Maar anderen hebben er wél last van, en daarom gebruik ik nu, voor het eerst, in een interview ook hardop dat woord discriminatie. Ik wil die mensen helpen die zichzelf minder goed kunnen beschermen".

De oplossing is volgens de schrijfster niet om Nederlanders nu te bekritiseren wegens racisme. "Ik heb een veel plezantere oplossing. Namelijk: het ene oor in, het andere uit. Als je je er niets van aantrekt als je wordt uitgescholden, is de lol er van af en dan stopt het vanzelf. Dus ik hoor het en ik laat het los. Als je gelooft in eigen kunnen ben je veel sterker. Als je goed bent kom je vanzelf bovendrijven, ondanks tegenwerking".

Tank
Het brengt haar nog een keer op de harde aanpak door literatuurcritici. Ze rept zelfs van ‘een hetze, een heksenjacht’. De vraag is: wordt ze zo bekritiseerd omdat ze Chinese is, of omdat ze - volgens die critici - gewoon een slecht boek heeft geschreven? "Als het dat laatste was, zou ik worden genegeerd", luidt Lulu’s antwoord. "Maar ik ben te groot om te negeren. Een taalverkrachter kun je negeren, een succesvol auteur niet. Die gaat door, als een tank. De kritiek heeft me alleen maar sterker gemaakt, een beter mens. En ik ben er betere boeken door gaan schrijven".

Ooit kreeg Lulu een prijs voor de ‘slechtste seksscène’. Het inspireerde haar tot het schrijven van haar huidige boek ‘Nederwonderland’. "Ik ging mezelf afvragen: hoe kan het dat een Chinees een bepaalde scène heel mooi vindt terwijl een Nederlander dat de slechtste scène ooit vindt?" Ze ging op zoek naar ‘de’ Nederlandse identiteit. "Het boek is een hommage aan de Nederlandse cultuur. Zelfs ik als Chinees vindt dat Nederlanders daar trots op moeten zijn en die met man en macht moeten beschermen. Dus geen Engels aan de eigen universiteiten en zo."

Gast
Ze noemt zichzelf gast in Nederland. "Ja, ik ben allochtoon, ik ben hier te gast, ik moet me aanpassen aan de Nederlandse cultuur, niet andersom. Als gast breng je bloemen mee. Ik voel me bijna verplicht om iets moois te brengen aan Nederland, iets bij te dragen aan deze maatschappij."

Dat doet ze door Nederlanders te helpen naar zichzelf kijken. "Wij hebben allemaal een spiegel nodig. Ik ben uw spiegel", zegt Lulu.

Isolatie
Ze noemt zichzelf ook een bruggenbouwer. "Het grootste probleem van de Chinese gemeenschap hier is dat ze weinig contact hebben met andere bevolkingsgroepen. Dat komt omdat het cultuurverschil té groot is. De Chinese beschaving is zó oud, Chinezen hebben zóveel cultureel zelfvertrouwen". Wat Nederlanders misschien iets te weinig hebben, hebben Chinezen misschien iets te veel, analyseert Lulu. "Maar de Chinezen moeten dus meer naar buiten treden, contact zoeken met andere werelden".

Want de Chinese splendid isolation werkt op den duur tegen de nieuwe generaties Chinezen in Nederland, denkt Lulu. "Je kunt wel doen alsof je apart leeft van de rest, maar je kinderen hebben er toch last van. De oudere Chinezen accepteren het wel als ze zelf geïsoleerd leven, maar hun kinderen gaan naar gemengde scholen. En komen huilend thuis omdat ze daar worden behandeld als buitenstaanders. Dat probleem zullen de ouders toch moeten tackelen. Hun kinderen kénnen de Chinese cultuur niet eens, het zijn gewoon Nederlanders".

En ja, ze heeft verschil gemerkt tussen wonen in Maastricht en wonen in Den Haag. "Die laatste stad is veel meer een smeltkroes. En hoe meer je elkaar kent, hoe meer je met elkaar te maken hebt en aan elkaar went, hoe minder vooroordelen. Maastricht is nog niet super gewend aan allochtonen. Het is nog klein en rein", besluit ze met een glimlach.

Terug naar menu >

Amine Oulad LMaroudia

Marokko

Kom bij Amine Oulad LMaroudia (30) niet aan dat hij Nederlander ‘moet zijn’.
"Ik eet geen zuurkool. Ik eet geen bloemkool, geen rookworst. Ik doe geen Heilige Communie. Ik ga niet naar de kerk. Ik doe niet mee aan spijkerpoepen op feestjes. En ik heb geen vrijdagmiddagborrel. Ik ga op vrijdagmiddag naar de moskee".

In die zin is Amine geen Nederlander, zegt hij zelf. "Niet qua culturele identiteit, nee. Ik ben wél Nederlander qua staatsburger, maar ik ben niet Nederlands-cultureel. Ik zie mezelf als moslim-Marokkaan. Net als iemand kan zeggen: ik ben christelijk Limburger. Daar kan niemand iets op tegen hebben. Al is Limburg onderdeel van Nederland en Marokko niet, dus de vergelijking ligt toch weer ietsje anders", peinst Amine hardop.

Zelf beslissen
"Het gaat er om: ik beslis zelf wie en wat ik ben, of ik mezelf moslim of Marokkaan of wat dan ook. Dat is mijn culturele identiteit en ik wil niet dat iemand anders me opdringt welke culturele identiteit ik moet hebben. Ik ben hier geboren, en tegen personen die willen dat ik me aanpas zeg ik: je hébt niks te willen".

Amine maakt de vergelijking met een Nederlands echtpaar dat naar China verhuist. "Hun kinderen zijn geen Chinezen. Het zijn Nederlandse kinderen die in China opgroeien, Chinees spreken en misschien een Chinese partner krijgen. Je culturele identiteit Nederlands, Marokkaans of Chinees, dat is net zoiets als skater, hippie, rocker of motorbiker. Iedereen bepaalt helemaal zelf wat hij is of wil zijn".

Tweede generatie
Dit gevoel is iets van de tweede generatie immigranten, zoals hijzelf, zegt Amine. "Ik heb het gevoel, en dat lees ik ook in eerdere artikelen in deze serie, dat de eerste generatie immigranten veel meer geneigd is om zich aan te passen. Een drang heeft om zichzelf te bewijzen, dat ze hier een plek verdienen of zo. Ik heb dat niet".

Amine bepaalt zelf wie hij is. Máár, haast hij zich er aan toe te voegen: "Dit klinkt als afzetten tegen Nederland, maar dat is het niet! Dingen als zuurkool eten en op vrijdag borrelen horen gewoon niet bij mij, maar dat laat onverlet dat ik van Nederland houd, want anders was ik hier niet. Nederland is een mooi land en heel veel, zo niet alles, is goed geregeld hier. En zelf heb ik ook al veel bijgedragen aan deze samenleving. Mensen die hier aan twijfelen moet ik toch teleurstellen", zegt hij trots en strijdvaardig.

Gemeenteraad
"Ik heb honderden, zo niet duizenden studenten opgeleid", aldus de docent Engels aan een hogeschool in Eindhoven. "Ik zit in mijn woonplaats Heerlen in de gemeenteraad namens D66. Dat doe ik voor de Heerlense burgers, om de stad nóg leefbaarder te maken. Ik heb bij omroep L1 in een denktank gezeten. Ik ben vrijwilliger met eten uitdelen tijdens de ramadan. En ik zit in het PPD, het Provinciaal Platform Diversiteit".

Hij wil maar zeggen: hij is actief burger. En heeft recht van spreken als ieder ander.

Met moeder
Amines wieg stond in Heerlen. Als baby verhuisde hij terug naar Marokko met zijn ouders, die kort daarna gingen scheiden. Met moeder keerde hij weer terug naar Heerlen. Daar woonde hij tot zijn 19e, waarna hij voor studie verhuisde naar Den Haag en Rotterdam. Na het behalen van twee masters (Engelse taalwetenschappen en onderwijswetenschappen) werd hij docent Engels. En ging, vanwege zijn ouder wordende moeder, ook weer wonen in Zuid-Limburg.

Buiten werk en politiek is Amine ook actief op religieus gebied. In Den Haag volgde hij in zijn vrije tijd lessen theologie en jurisprudentie bij een islamitische klassieke imam. Verder is hij adviseur bij uitgeverij Het Kennishuis, dat Nederlandstalige traditioneel-islamitische boeken uitgeeft. Die uitgeverij is weer onderdeel van een ‘brede beweging in heel Nederland die het traditionele, klassieke geluid van de islam laat horen’, aldus Amine.

Ben je, als Marokkaan en om die reden, wel eens slecht behandeld in Nederland?
"Eh… nee. Wel heb ik soms momenten gehad dat ik me afvroeg of het met mijn achtergrond had te maken. Maar misschien heeft het ook te maken met opleidingsniveau. Als je zelf actiever bent in de samenleving kom je wellicht minder met discriminatie in aanraking".

Hij haalt een eerder interview aan met de Algerijn Nanou Medjadji.

"Die meneer zegt dat het bewijs is dat er niet gediscrimineerd wordt als je raadslid bent. Maar het ís helemaal geen bewijs! Het kan best dat er heel veel Marokkanen op die Marokkaanse kandidaat hebben gestemd en dat er tóch superveel discriminatie is. Want laten we eerlijk zijn: er ís discriminatie, dat moeten we erkennen. Als uitzendbureaus hardop zeggen dat ze geen Marokkanen willen… Hoe duidelijk wil je het hebben?"

Slechte ervaringen
Maar als een werkgever nou vijf keer een Marokkaanse werknemer heeft gehad, vijf keer slechte ervaringen daarmee heeft opgedaan, en de zesde keer zegt: vanaf nu liever geen Marokkaan meer?

"Dat noem ik ‘ervaringsdiscriminatie’, ik bedenk het woord nu ter plekke. Maar daar kan ik nog begrip voor hebben ook. Die werkgever heeft het tenminste geprobeerd. Als ik alleen om ga met Limburgers die dom zijn, dan ga ik op den duur vanzelf denken dat álle Limburgers dom zijn. En er ís iets met Marokkaanse jongens, natuurlijk, je moet wel heel stom zijn om dat te ontkennen. Maar wát het precies is? Ik heb het antwoord niet onmiddellijk paraat".

Veel tuig
Hij denkt even na. "Het zal zeker niet aan één ding liggen. Het gaat om meerdere factoren. Armoede, de buurt waar je woont. Als er in jouw wijk veel tuig woont, is de kans groter dat je zelf ook tuig wordt. En de opvoeding. Marokkaanse ouders hebben misschien niet de middelen om te disciplineren zoals ze dat in Marokko wel kunnen. Daar voeden opa, leraar en oom ook mee op. De ouders hier zijn misschien ook te oud, ze zitten te veel in de moskee, je kent het wel, de cliché-verklaringen".

Maar, vult hij aan: "Ik ben geen specialist in het analyseren van Marokkaanse problemen natuurlijk. Mijn eigen milieu bestaat uit succesvolle, hoogopgeleide Marokkanen. Advocaten, ook op de Zuidas. Business entrepreneurs, sommige miljonair zelfs. Maar die kom je dus niet tegen omdat ze niet naar de vrijdagmiddagborrel gaan maar naar de moskee".

Gebrek aan geloof
Hetgeen hem brengt op nog een verklarende factor rond Marokkaanse probleemjongeren: "Een gebrek aan geloof. De islam spoort niet aan tot het dealen van drugs of het lastigvallen van meisjes. Met de jongens die bezig zijn met hun geloof gaat het stukken beter. Die vind je niet in de sisha-lounge, in een disco waar ze zich lam zuipen of als drugsdealer op straat. Iets meer praktizerend moslim zijn zou dus welkom zijn".

Al klinkt dit ook wel wat paradoxaal, zegt Amine zelf. "Gezien alle dingen die er in de wereld gaande zijn. De connotatie is toch een beetje: praktizerend moslim dús niet meedoen in de samenleving. Geen baan krijgen vanwege geen handen schudden, dat soort dingen. Kijk, ik ben zelf een traditionele, orthodoxe moslim. Op vrijdag ga ik in een djellaba, zo’n traditioneel gewaad, naar de moskee. En wie dat niet aanstaat, heeft pech. Het is míjn moment, ik wil dat spiritueel beleven. Naar mijn werk ga ik netjes in een colbert, en naar de moskee ga ik in de mooiste gewaden, daar geef ik ook veel geld aan uit".

Ervaar je in Nederland tolerantie ten opzichte van de islam?
"Ten aanzien van wat er feitelijk, op de grond gebeurt, is de islam hier enorm geaccepteerd", reageert Amine. "Er worden moskeeën gebouwd en dergelijke. Als Nederland intolerant was zou dat niet kunnen. En dat de tolerantie van sommige mensen ergens stopt, dat snap ik ook wel. Het kan niet zo zijn dat hele wijken worden omgetoverd tot puur islamitische wijken. Of omgetoverd… nee, dat zeg ik niet goed. Dat ze niet meer toegankelijk zijn voor niet-moslims, dat bedoel ik. Maar daarnáást… in de discussies, wat er allemaal wordt gezegd over moslims, in kranten, in de politiek, in de praatprogramma’s op tv…. dat is misschien wel waar het over twintig jaar naar toe gaat", vreest hij.

En het omgekeerde? Hoe staat het met de tolerantie van moslims naar de rest van de samenleving?
"Poeh…. Om te beginnen: er zijn in Nederland bijna één miljoen moslims. Allemaal zeer verschillend, er is niet één gemeenschap met duidelijke zegslieden of opiniemakers. Maar zeker, intolerantie is er. Het is echter een kleine groep die veel tettert. Ken je het spreekwoord? Een lege pan met één steentje maakt meer kabaal dan een pan vol stenen. Maar dat ene steentje neemt wel veel goodwill weg. En het is net als met vertrouwen: als het eenmaal weg is kun je weer helemaal opnieuw beginnen".

Complex
Korte stilte. Dan ineens gebruikt Amine de term ‘het Marokkaanse complex’. Om zichzelf meteen daarna te corrigeren. "Het Marokkaanse dilemma is een beter woord. De indirecte druk dat je succesvol en eerlijk moet zijn, maar als het ook maar éffe mis gaat in je leven is de reactie: zie je wel! En beland je meteen weer in de foute statistieken van criminaliteit. Zit je weer midden in die tornado van Marokkaanse negativiteit. De startsituatie van een ‘normale’ blanke jongen is niet dat hij zich extra moet bewijzen. Als Marokkaanse jongen heb je dan toch een 1-0 achterstand. Je begint niet met een gelijkspel".

Bashing
Hij wijst op de toegenomen negatieve publiciteit voor Turken de afgelopen twee, drie jaar. ‘Turken-bashing’, noemt hij het. "In elk land met een omvangrijke minderheidsgroep presteert negentig procent van die minderheidsgroep altijd slechter. Zie de Mexicanen in de VS, de Pakistanen in Engeland, de Congolezen in België. Allemaal dezelfde problematiek van hangjongeren en dergelijke, vaak ook vooral in de grote steden. Dat heeft volgens mij dus meer te maken met het zijn van een minderheid dan met etnische of religieuze achtergrond. Zie vroeger de Italianen of de Ieren in de VS. Dat is het natuurlijke proces van minderheid zijn".

Ongevraagd haalt hij nog even het interview aan met de Irakees Fadhel Al Hassouni.

"Fadhel zegt dat Marokkanen alleen zijn gekomen voor het geld. Maar zo is het niet! De Nederlanders zijn indertijd naar Marokko gekomen om ons te hálen. Wij zijn hier op uitnodiging. En de tweede groep is ook alleen gekomen omdat eerst de eerste groep is gehaald".

En dat wordt nog wel eens vergeten, wil Amine maar zeggen.

Terug naar menu >

Nanou Medjadji

Algerije

Het interview moet nog beginnen maar Nanou Medjadji neemt gelijk het woord. Hij is zwaar geërgerd. Op zijn computerscherm staat het verhaal ‘De boze brief van Hassan Es-Sadki’.
Ondankbaar
"Hoe dúrft deze meneer te zeggen dat wij als immigranten niet goed zijn geholpen hier in Nederland?! Of dat we worden gediscrimineerd? Ik ben héél goed geholpen in dit land en nog nooit gediscrimineerd! Deze Hassan is ondankbaar. Hij bijt de hand die hem voedt."

Harde woorden. "Maar ik, als migrant, mag dat zeggen. Als Algerijn ben ik in een betere positie om deze meneer de waarheid te zeggen dan u als autochtone Nederlander."

Boos
Want Algerijnen en Marokkanen, het zijn allebei Noord-Afrikanen, Maghrebijnen. Buurlanden, verwante culturen. "We zijn in feite neefjes. Van hetzelfde laken een pak, zeg maar", grijnst Nanou.

Hij is oprecht boos over de uitspraken van Hassan. "Ik wil hem zeggen: wat denk je dat je had bereikt als je in Marokko was gebleven? Hier ben je raadslid geworden, dat is een mooie positie! Dus hoezo ‘migranten bereiken hier niets omdat ze niet goed worden geholpen’?"

Liefde
Het zijn bepaald niet de enige harde noten die Nanou wenst te kraken. De 77-jarige inwoner van Maastricht heeft zichzelf aangemeld om te worden geïnterviewd binnen dit project Allochtonen in Limburg. Het artikel met Hassan is dan nog niet verschenen.

Nanou is sinds 1966 in Nederland. Vanwege de liefde: op vakantie aan de Belgische kust in de zomer van 1965 trof hij zijn huidige Maastrichtse vrouw. In Algerije was hij onderwijzer. In Nederland werkte hij als inkoper/verkoper, nachtportier en tolk.

Geïnteresseerd
Het gesprek met hem volgt grotendeels de lijn van het gesprek met Hassan. Eén voor één pakt Nanou dezelfde thema’s bij de kop en geeft zijn eigen, volkomen tegengestelde visie.

"Hassan zegt dus dat Marokkaanse jongens mede ontsporen omdat de onderwijzers hier niet genoeg hun best doen. Ik ken het onderwijs in Noord-Afrika. Toen ik net in Nederland was dacht ik: dit kán toch niet, zo geïnteresseerd als onderwijzers hier zijn?"

Onderwijzersloopbaan
Hij verhaalt een anekdote uit zijn eigen onderwijzersloopbaan. "Ik had een hele goede leerling, Ali. Die kwam ineens niet meer opdagen dus ik vroeg zijn vriendjes: vraag eens bij hem thuis wat er gaande is. Het bleek dat Ali gewoon geen zin had gehad, liever wilde spelen. De volgende ochtend kwam de vader naar school. Hij had Ali bij zich, met handen en voeten als een lammetje aan een stok gebonden, bont en blauw geslagen. ‘Thuis ben ik de vader, op school ben jij de vader’, zei pa tegen mij. En hij gaf me een bijl. ‘De volgende keer hak je zijn hand of voet maar af!’. Ik kreeg volledig carte blanche. Zo is de mentaliteit daar."

Ondenkbaar in Nederland, zegt Nanou. "Hier krijg je al een proces aan je broek als je lelijk naar een leerling kijkt." Hij wil maar zeggen: de macht van leerkrachten is in Nederland beperkt, het is dus niet fair om hen de schuld te geven van ontsporende jongeren.

Opvoeding
"Bovendien: opvoeding begint thuis! Een leraar is docent, geen politieagent. Ouders moeten hun kinderen zelf het voorbeeld geven. En dát is de oorzaak van die Marokkaanse jongeren die op het verkeerde pad belanden: de opvoeding thuis." Hij vertaalt een Frans gezegde: ‘honden baren geen katten’.

"Die Noord-Afrikaanse immigranten waren voor 99 procent analfabeet. Ze wilden werken, geld verdienen en terug. Taal en integreren kwam op de tweede plaats. Dat soort mensen, laagopgeleide analfabeten met weinig geestelijke bagage, die krijgen geen intellectuele kinderen".

Verkeerd streng
Tot een jaar of vier, vijf zijn kinderen nog wel in het gareel te houden met streng opvoeden. "Marokkaanse vaders zijn streng, maar verkeerd streng. Barbaars. Met slaan bereik je niet veel. En vanaf een jaar of vijf snappen die kinderen heel goed dat hun ouders het zelf allemaal niet begrijpen en geen Nederlands spreken. Dus zeggen ze dat ze buiten de deur bij vriendjes hun huiswerk gaan maken omdat dat zogenaamd beter is voor hun Nederlands. Dan zijn ze weg, vrij, en van het een komt het ander."

Kerk
Dan snijdt Nanou, op eigen houtje, een volgend thema aan. "De godsdienst, die is zó belangrijk! Ikzelf ben atheïst, altijd geweest. Maar bij moslims bepaalt Allah alles. Wat je eet, wat je draagt, hoe je je thuis gedraagt. En de Koran is zó ontzettend streng…. Ze zeggen wel dat de islam tolerant is. Dan denk ik: tja…. Hier willen moslims steeds meer moskeeën en dan klagen ze dat het zo moeilijk is om die te mogen bouwen. Moet je eens proberen één kerk te bouwen in Saoedi-Arabië. Dan wordt je gestenigd."

Of, ander voorbeeld: "Probeer als christen in Marokko op straat tijdens de ramadan eens te eten of te roken. Dan kom je niet levend thuis. En Algerije is ook een ontzettend intolerant land geworden."

Beu
Nederland ‘begint nu ook intolerant te worden’, zegt Nanou. "En dat is logisch. Nederlanders zijn het gewoon beu. Ze waren altijd zó tolerant, maar ze zien dat dieven, drugsdealers, criminelen vaak moslims zijn. Liquidatie? Vast weer een Marokkaan. En zodra moslims ergens in de meerderheid zijn ontstaat er een intolerante no go area. Kijk naar de Schilderswijk in Den Haag, of Molenbeek in Brussel."

Het valt Nanou op dat moslims in Europa vaak traditioneler, strenger zijn dan hun geloofsgenoten in de herkomstlanden. "In mijn tijd droeg in Algerije niemand een chador. Maar als ze hier komen gaat ineens de sluier om. Ze vallen terug op de orthodoxe versie van het geloof, ze gaan op zoek naar hun roots."

Maastreechter Staar
Nanou heeft maar weinig contact met moslims in Maastricht. "Toen ik kwam was mijn eerste zorg de taal leren. En er was nog niet op elke hoek van de straat taalles. Je wilt niet weten hoeveel moeite ik heb moeten doen. Zo ben ik in 1967 bij de Maastreechter Staar gegaan, niet omdat ik z’n mooie stem had, maar om beter Nederlands te leren."

Hij wil maar zeggen: de taal leren is allerbelangrijkst en dat lukt niet als je alleen omgaat met landgenoten. "Ik heb de fout niet gemaakt die de meeste migranten maken, namelijk bij elkaar blijven zitten omdát ze de taal van het land niet spreken. Dan stagneert het dus. Al begrijp ik het wel hoor, dat je mensen opzoekt die je snappen, met wie je kunt praten over je geboorteland."

Dubbele paspoorten
Hij windt zich zichtbaar op over het gebrek aan integratie van sommige bevolkingsgroepen. "Neem nou dubbele paspoorten. Waar heb je die voor nodig? Als je toch Nederlander bent met alle rechten. Zelf heb ik alleen een Nederlands paspoort. Mijn Algerijnse kon ik eigenlijk niet inleveren, ze zeiden: je blijft Algerijn tot je dood. Ik heb gezegd: weet je waar je dat Algerijnse paspoort kunt steken?"

Wilders heeft gelijk
Hij houdt zich nog in, zegt hij zelf. "Wilders heeft voor negentig procent gewoon gelijk. Hij zegt wat anderen niet durven te zeggen. Als ik de baas was hier dan gingen de grenzen dicht en vrijwel alle migranten eruit. De Marokkaanse gemeenschap moet de eigen problemen oplossen, in plaats van zeggen dat ze hier niet getolereerd worden. Dank je de koekoek! Maar zoals een Frans spreekwoord luidt: de worm zit al in het fruit. Ofwel: het is misschien al te laat."

Hij wil de mensen die klagen over Nederland nog iets meegeven. "Als je niet tevreden bent en het gevoel hebt dat je hier niet wordt geaccepteerd, waarom blijf je dan? Probeer het gerust in een ander land!"

En hij herhaalt het nog maar eens: "Ik ben in een positie om dit allemaal te zeggen. Want ik ben zelf migrant."

Terug naar menu >

Wessam
Al Halabi

Syrië

Hij heeft het op zich prima voor elkaar, Wessam Al Halabi. Na een heftige vluchtgeschiedenis is de 33-jarige Syriër goed geaard in Nederland.
Binnen twee jaar het Nederlands nagenoeg vlekkeloos onder de knie gekregen. Maar in Limburg ben je er daarmee nog niet. Want hier wordt grotendeels dialect gesproken.

Toneel
"In Syrië was ik naast mijn gewone werk zanger, acteur en liedjesschrijver. Hier ben ik al drie keer naar de toneelclub in Sittard geweest, maar alles gaat in het dialect. Ik kan er dus niks doen", zegt Wessam met grote spijt in zijn stem.

Terwijl activiteiten met Nederlanders juist zo belangrijk zijn om de taal goed onder de knie te krijgen, benadrukt hij tijdens het gesprek meerdere keren. "Taal, taal, taal, het is echt het allerbelangrijkste! Want wat doe je zonder taal? Je kunt niet werken, je kunt geen vrijwilligerswerk doen, niks."

Activiteiten
Om taal te verwerven zijn dus activiteiten voor vluchtelingen nodig, en daar schort het wat Wessam betreft wel een beetje aan in Limburg. En dan met name activiteiten voor families. "Ik ben alleenstaand, ik kan zo de deur uit, naar een café of waar ik maar mensen wil ontmoeten. Maar als gezin is dat minder eenvoudig." En dus is hij bezig om taalcafés op te zetten voor met name oudere vluchtelingen. Een soort bingoavonden waar migranten samen met Nederlanders taalspelletjes kunnen doen.

Wessam heeft een talenknobbel, beseft hij zelf. Én hij is actief op zoek gegaan naar mogelijkheden om de taal te kunnen oefenen. "Want op school, bij de inburgering, krijg je alleen grammatica. Daarmee leer je het niet. Je zult het moeten gaan spreken." Met echte mensen dus.

Aleppo
Wessam woonde in Aleppo, werkte daar als apothekersassistent. Toen de oorlog ook zijn thuisstad bereikte, werd eerst zijn eigen huis aan puin geschoten. Hij kreeg onderdak in de apotheek waar hij werkte, tot die ook werd vernield. Plus: de dienstplicht dreigde. Hij besloot naar Turkije te gaan, waar zijn zus en moeder reeds waren. Wessams vader is lang geleden reeds overleden.

In Turkije werkte Wessam lange dagen voor een hongerloontje. Toekomstperspectief was er niet. Zijn zus was inmiddels in Nederland beland en nodigde hem uit. Met geleend geld betaalde hij 1200 euro aan mensensmokkelaars voor de overtocht per boot naar Griekenland. Vandaar "op de slechte manier" verder naar Nederland: deels lopen, soms een stukje met de bus, één keer met de trein.

Azc's
In september 2015 begon zijn dwaaltocht binnen Nederland langs vijf of zes verschillende azc’s. En na zijn laatste azc in Heumensoord (Nijmegen) belandde hij, met een verblijfsvergunning voor vijf jaar op zak, in een flatje in Geleen. Het is de zoveelste loot aan de diasporaboom van het gezin Al Halabi: drie broers en één zus in Aleppo, moeder in Turkije, één zus in het nabije Guttecoven, één broer in Dubai en één in Glasgow.

Wessam schenkt koffie. Op de vraag of hij geen ramadan houdt, en of het dus niet vervelend is als een ander voor zijn neus iets eet of drinkt, antwoordt hij: "Ik vast inderdaad, maar dat is míjn ding". Hij stáát er op dat de gast gewoon koffie neemt.

Gelijkwaardigheid
Zijn eerste indrukken in Nederland? "Niet echt verrassend, ik had best een goed beeld van dit land. Op één punt na: de mensen. Ik had niet verwacht dat ze zó aardig en vriendelijk zouden zijn. Heel eerlijk gezegd had ik, op grond van social media, het idee dat Europese mensen altijd maar bezig zijn met hun werk en dat ze ons haten. Ons en onze cultuur, de islam. Maar de meeste mensen hielpen ons op een fijne manier! Discriminatie heb ik hier nooit meegemaakt. Ik voel gelijkwaardigheid".

Wessam ging aan de slag als tolkvrijwilliger Arabisch-Nederlands bij Vluchtelingenwerk en werkt in die rol inmiddels ook parttime voor de gemeente. "Misschien ga ik de tolkenopleiding wel doen", kijkt hij vooruit.

Contact
Heel intensief contact met Nederlanders heeft hij niet, "met de buren hier heb ik bijvoorbeeld nog nooit gepraat". Terwijl, hij herhaalt het nog maar eens, contact met Nederlanders júist voor vluchtelingen van essentieel belang is om de taal goed te leren spreken. "Belangrijk voor die mensen zelf maar óók voor de maatschappij. Jullie willen toch dat die vluchtelingen snel aan het werk gaan?"

En in Limburg gaan die contacten nog nét wat lastiger dan in Amsterdam of Utrecht, is Wessams ervaring. "Daar spreken ze je op straat toch iets sneller aan". Al staat daar tegenover dat de Limburgers vriendelijker zijn, vindt hij.

Wat het dialect betreft: Wessam verstaat het inmiddels redelijk. Spreken lukt nog niet zo. Of hij het nog gaat leren? "Ik weet het nog niet. Kijk, ik ben ook jeugdtrainer bij de voetbalclub in Limbricht. Maar als ik Limbrichts leer kan ik daar niks mee in Amsterdam of Almere of waar dan ook. Ik heb er alleen wat aan als ik voor altijd hier in de regio blijf".

Terug naar menu >

Zahra Husseini

Afghanistan

Toen ze net in Nederland was werkte Zahra Husseini (34) onder fictieve naam - en met een hoofddoek op - mee aan een filmpje over haar dramatische verleden.
Nu wil ze per se met haar echte naam worden vermeld. En de hoofddoek is af, ze is inmiddels christen geworden.

De metamorfose van een Afghaanse in Nederland.

Zahra is wees. Toen ze 5 jaar was verongelukten haar ouders. Op haar 13e werd ze uitgehuwelijkt aan haar - toen - 21-jarige man. Met hem verhuisde ze twee jaar later van Afghanistan naar Iran. "We kregen vier kinderen. Ik werkte altijd tot 2, 3 uur ’s nachts. En mijn man sloeg me. Met kabels, met hout. Mijn oog was altijd paars”, zegt ze, in bewonderenswaardig goed Nederlands voor iemand die nog geen twee jaar in Nederland is.

Ze wordt emotioneel tijdens het gesprek. Een traantje vloeit.

De mishandelingen werden haar uiteindelijk teveel: Zahra vluchtte, lopend, met haar kinderen, naar Turkije. Daar werd ze opgepakt en teruggebracht naar Iran. Ze was doodsbang dat haar man of diens familie haar zou vermoorden. Ze vluchtte opnieuw, ditmaal met hulp van mensensmokkelaars. Haar man kwam haar zoeken in Turkije en Zahra vluchtte verder – tot in Nederland. Ze woonde in azc’s in Maastricht, Arnhem, Groningen en Amsterdam. Nadat ze een verblijfsstatus kreeg belandde ze in Venray. "Op 15 september 2017”, weet ze nog heel precies.

Nu werkt Zahra als schoonmaakster. Ze volgt inburgeringslessen en extra taallessen. "Het verplichte minimumniveau heb ik gehaald. Maar ik wil een stap hoger. Uiteindelijk wil ik een mbo-diploma”, zegt ze. In september begint ze aan een zorgopleiding. "Ik wil heel graag zelfstandig zijn, iets terugdoen voor Nederland. Geen uitkering pakken. En mijn kinderen moeten ook goed leren. Hier wonen zoveel aardige mensen, het is veilig en mooi. Nederland, bedankt voor al het positieve heb gekregen!”, zegt Zahra.

Wat haar opvalt hier? " Goede regels. Man en vrouw zijn gelijk. Kinderen kunnen gratis naar school. En de gemeente helpt vluchtelingen om zelfstandig te worden”. Negatieve ervaringen heeft ze in Nederland niet gehad. "Al is het wel lastig om hier werk te vinden. Moeilijker dan in Iran of Afghanistan. Daar begin je gewoon. Hier heb je opleiding en ervaring nodig”.

Die vrijheid, óók als vrouw, die vindt Zahra belangrijk. "Ik was 32 jaar moslim. Ik mocht mijn eigen geloof niet kiezen. Nu wel. De christenen die ik tegenkwam waren allemaal aardig. Geen racisten. Het maakt hen niet uit of je zwart of wit bent. Christenen helpen je ook zonder iets terug te verwachten. Moslims niet: die willen meteen iets terug van jou”.

Anderhalf jaar geleden besloot Zahra protestants te worden. Dat ging niet zonder slag of stoot. "In het azc wilden moslims niet meer met me praten. Van de mannen mocht ik ook niet meer met hun vrouwen praten. Ze noemden me een ‘vieze vrouw’. Maar ik heb toch mijn hart gevolgd”.

Tot haar bekering kookten de vrouwen vaak samen. Daarna niet meer. "Ik was ineens onrein. Als er een spatje olie van mijn eten in hun eten kwam gooiden ze dat weg. Ze wilden dat ik voortaan op een ander fornuis ging koken. En tegen mijn dochter zeiden ze ook: je moeder is slecht”.

De dochter is nu ook christen.

Aan het einde van het gesprek doet Zahra spontaan een oproep. "Ik wil tegen immigranten zeggen: zorg dat je hier netjes en rustig leeft. Kijk niet altijd naar de gemeente voor hulp. Betaal belasting. Niet zwart werken, niet zwart reizen. Alsjeblieft! Het is hier geen Afghanistan of Syrië. Dit is Nederlands. Hier is het rustig”.

Terug naar menu >

Milena Mulders

Slovenië

Vroeger was ze niet zo bezig met haar Sloveense achtergrond. "Het deed me niet zoveel. Ik was me er totaal niet van bewust. Behalve dat we elke winter naar de familie in Slovenië gingen. Dat was niet altijd leuk want ik sprak geen woord Sloveens."
Maar tegenwoordig, anno 2018, is het anders voor Milena Mulders (42). Op de vraag wat de Sloveense achtergrond nú voor haar betekent, wordt ze zelfs emotioneel. "Inderdaad… het emotioneert me. Blijkbaar is het best belangrijk voor me."

De omslag kwam kort na 2002, vertelt ze. "Na de moord op Fortuyn en vooral Van Gogh in mijn woonplaats Amsterdam dacht ik: nu is de wereld nooit meer hetzelfde. Nu komt het hele wij/zij-denken op scherp te staan, dit gaat alles op zijn kop zetten. En ik ging mezelf ineens afvragen: waar hoor ík dan eigenlijk bij? Ik moet nu kiezen." Aldus iemand die in Brunssum is geboren uit een Nederlandse vader en een Sloveense moeder. "Mijn oudere zus moest rond die tijd ergens een formulier invullen omdát ze allochtoon was. Ze zei: sinds wanneer ben ik allochtoon?!"

Underdog
Formeel waren beide Zuid-Limburgse zussen dat altijd al, met één in het buitenland geboren ouder. Milena: "Het leidde bij mij ineens tot heel veel vragen. Ik wilde mezelf met de underdog associëren, ik wilde bij de buitenlanders horen, degenen met een migratieachtergrond, degenen die in Nederland in die periode ineens werden aangevallen." Sommigen in haar omgeving zeiden dat al die ‘allochtonen-discussies’ niet voor haar golden. "Dat heb ik wel vaker gehad, dat ik niet allochtoon genoeg was. Ik heb wel eens gesolliciteerd op functies waarbij de voorkeur uitging naar iemand met een ‘cultureel diverse achtergrond’. Maar dan bleek men toch altijd iemand te zoeken met een ándere culturele achtergrond. Ik was niet divers genoeg. Want met divers wordt vaak bedoeld: niet-westers. Dat vond ik altijd heel lastig."

Gidsfunctie
Ze werd wel eens aangenomen op plekken waar eigenlijk een Marokkaan of Surinamer werd gezocht - die echter niet te vinden bleek. "Ik denk dat mijn rol een gidsfunctie kan zijn. Ik zie een andere culturele achtergrond tegenwoordig als meerwaarde. Je leert van jongs af aan om te gaan met verschillen. Je krijgt een soort vloeibaarheid, een vorm van flexibiliteit. Aanpassingsvermogen, het besef dat die éne manier niet de enige manier is. Een voorbeeld? Vroeger vond ik mijn Sloveense familie arm. Later realiseerde ik me: ze zijn helemaal niet arm, ze zijn zelfvoorzienend, ze leven veel meer met de natuur. Je leert zoeken naar een manier om met elkaar om te kunnen gaan. Dat is echt een fascinatie voor me geworden: het verschil omarmen en er dan achter komen dat er helemaal niet zoveel verschil ís."

Slivovitsj
Toen Milena 25 was overleed haar moeder. "Daarna zat ik dus ineens aan tafel met mijn Sloveense tante met wie ik zelf niet kon praten omdat ik de taal niet sprak. Met een fles slivovitjs erbij lukt het vervolgens een heel eind, maar serieus: ik realiseerde me dat je zonder taal nergens komt. En niet alleen de Nederlandse taal! Die andere taal van de andere ouder is nét zo belangrijk! Want anders valt een deel van je identiteit weg. Zoals bij mij: een deel van mezelf bleek gewoon verdwenen. Achteraf gezien vind ik het heel erg dat ik geen Sloveens heb leren spreken. Een ongelofelijke gemiste kans."

Ankers
Nadat Milena eenmaal was ontwaakt als half-Sloveense, kreeg ze ‘een enorme behoefte om me onder te dompelen in alles wat Sloveens en Joegoslavisch is’. Ze was inmiddels verhuisd naar Amsterdam. "Ik had niet veel meer in Limburg en ik had sterk behoefte aan ankers, aan wortels." Slovenië was pas in 1991 onafhankelijk geworden. "Ik associeer mezelf heel erg met Joegoslavië. Ik heb er moeite mee als Slovenen worden aangeduid als halve Oostenrijkers die niet echt van de Balkan zijn. Ook al hebben ze misschien wel gelijk."

Wortels
Haar nieuwe interesse in de Sloveense wortels leidde uiteindelijk zelfs tot een boek. "Mijn moeder was 15 toen ze naar Nederland kwam", neemt Milena een duik in de familiegeschiedenis. "Het gezin kon na de Tweede Wereldoorlog niet in hun dorp in Slovenië blijven. Grootvader was aan het einde van de oorlog verdwenen, vermoedelijk gedood door de partizanen. De situatie was uiterst complex, met collaborateurs en vermeende collaborateurs, communisten en anti-communisten. Na Tito’s machtsgreep vonden veel massa-executies plaats."

Bedreigingen
Milena’s moeder en oma kregen na de oorlog ook bedreigingen, en oma besloot terug te gaan naar Nederland waar ze van 1928 tot 1938 al eerder had gewoond. "Opa had in de mijnen gewerkt maar was, toen de crisis uitbrak, als eerste ontslagen en teruggekeerd naar Joegoslavië." In 1957 kwam oma voor de tweede keer. Milena’s moeder ontmoette Milena’s vader in de bus. "Mijn vader noemde mijn moeder altijd een ‘zwarte vrouw’. Ze had donker haar, donkere ogen, hij was gefascineerd door het exotische."

Schilderij
Eenmaal begonnen spitte Milena verder in de geschiedenis, ook van de Mijnstreek. "Het begon met een schilderij wat ik tegenkwam van mijn opa in de mijnen", zegt ze, wijzend op een reproductie in haar huiskamer. "Het werd een traject van jaren. Ik werd een pitbull, ik wilde echt alles weten." In 2009 verscheen haar boek: ‘Met de buik het brood achterna. Mijn Sloveense geschiedenis’. ,,Het klinkt best cliché, maar kennis van mijn wortels in Slovenië en Limburg heeft me een completer mens gemaakt. Meer houvast, meer stevigheid onder mijn voeten."

Journalistiek
En sinds die tijd heeft ze het migratiethema eigenlijk nooit meer losgelaten. "Diversiteit, migrantenerfgoed, vluchtelingen, inclusiviteit, in die hoek heb ik sindsdien altijd gewerkt", aldus Milena. Ze deed ooit de School voor Journalistiek en is tegenwoordig coördinator van het landelijke netwerk voor gevluchte journalisten (On File). Tevens werkt ze als cultureel ondernemer. Momenteel is ze bezig met een pop-up ‘Migratiemuseum’ in Zuid-Limburg, waarbij de parallel wordt getrokken tussen de oude migratiegeschiedenis van de Mijnstreek en het heden. "Natuurlijk zijn er verschillen. Maar óók overeenkomsten. Beide keren ging het om de vestiging van heel veel vreemdelingen in zeer korte tijd in een samenleving die daar niet op is ingericht. En de integratie van die vooroorlogse mijnwerkers en hun gezinnen is uiteindelijk goed gegaan, maar dat ging ook toen niet zonder slag of stoot. In die tijd schreven de kranten óók dat de ‘koloniën’ waar die mensen verbleven Sodom en Gomorra waren."

Klimmen
Ook aan haar eigen wortels blijft Milena aandacht schenken. "Deze zomer ga ik de hoogste berg van Joegoslavië beklimmen. En ik heb opnieuw heel sterk de behoefte aan contact met mijn familie daar. Ik voel me heel verantwoordelijk voor het onderhouden van de banden met hen." Een familie die overigens zo haar gedachten heeft over oma’s vertrek indertijd naar Nederland. "Zij zien het zo: oma en mijn moeder zijn weggegaan, ze hadden moeten terugkomen. Dat oordeel drukt zwaar. In hun ogen is Nederland geen goed land. Geen schone lucht, geen bergen, en iedereen doet hier aan de lijn. Ik vind het heel vervelend dat ze zo denken en ik verzet me er ook tegen", zegt Milena. "En ik wijs hen er ook op: ík ben nooit weggegaan!"

Terug naar menu >

Terug naar menu >

Helmut

Duitsland

Helmut wil wel praten over wat hij meemaakt als Duitser in Nederland. Maar, zo bedingt hij vooraf, liever niet met naam en toenaam. Helmut is dan ook niet hoe hij werkelijk heet.

Dat wekt toch de verwachting dat het leven van een Duitser in Limburg bepaald niet over rozen gaat. Maar na afloop van het gesprek kan slechts worden vastgesteld: het valt best mee. Helmut wordt niet doorlopend belaagd met anti-Duitse sentimenten, foute grappen en vervelende stekeligheden. ,,Ik ben in Nederland positief opgenomen”, zegt hij. ,,Máár…. na een tijdje hier wonen merk je wel dat verschillende mensen toch falsch, zijn, niet oprecht”, zegt hij in een mengelmoes van Duits, Nederland en vooral Noord-Limburgs dialect. ,,In je gezicht zeggen ze goede, normale dingen. Maar achter je rug vertellen ze soms iets heel anders”.

Allemaal van de strekking: ,,Dae Pruus, wat môt dae heej?” Eén keer ging het verder dan dat. Tijdens een etentje met vrienden zei een van de aanwezigen, recht in Helmuts gezicht: ,,Die Pruuse, die pakke ôs heej de beste vrouwen aaf”. Het kwetste Helmut diep. ,,Het was geen grap. Hij meende het echt. Sommigen gunnen het je gewoon niet”. Dat je, zoals in Helmuts geval, trouwt met een Nederlandse. Want dat was de reden dat hij in 2006 definitief de grens overstak.

Helmut werd in 1949 geboren in Piesteritz, vlakbij Wittenberg, halverwege tussen Berlijn en Leipzig. Voormalige DDR dus. Hij groeide deels op bij zijn grootouders. Op 12 augustus 1961 was de 12-jarige Helmut met zijn oma op bezoek in (West-)Berlijn. Op zondagochtend 13 augustus wilden ze terug naar Oost-Duitsland maar werden op een metrostation tegengehouden. Die nacht was totaal onverwacht het IJzeren Gordijn opgetrokken en een begin gemaakt met de bouw van de Berlijnse Muur. ,,Ik vergeet het nooit. Een metrobeambte zei: ‘Heute Nacht hat der Spitzbart die Grenze dichtgemacht’. Spitzbart, ofwel ‘sik’, was de bijnaam van partijleider Walter Ulbricht”.

Helmut groeide verder op in Düsseldorf, waar zijn moeder al langer woonde. Daar studeerde hij en vond werk als ingenieur in de machinebouw. In 2005 leerde hij zijn huidige vrouw kennen en na driekwart jaar pendelen maakte hij de overstap naar Nederland. Ze belandden in Belfeld, iets ten zuiden van Venlo. ,,Ik was al wel vaker in Nederland geweest, aan de Noordzee, in Venlo, Roermond en Maastricht. Heel veel is hier hetzelfde als in Duitsland, maar ik merkte tijdens die eerdere bezoeken ook: de sfeer in Nederland is anders. Ontspannener, losser. In Duitsland is het allemaal wat stijver en gedwongener”.

Voor zijn werk kwam Helmut ook vaker in Polen. ,,Daar had ik altijd het gevoel dat ik snel weer weg wilde. In Nederland had ik het tegenovergestelde. Het is hier unproblematischer dan in Duitsland. Dat gevoel had ik toen ik kwam en sindsdien ben ik er alleen maar in bevestigd”. Niet dat het in Nederland alléén maar hallelujah was. ,,Toen ik net in Belfeld woonde reed ik nog in een auto met Duits kenteken. Op een morgen, op weg naar mijn werk, werd ik vlak bij huis staande gehouden door de douane. Alles werd gecontroleerd. Ik denk dat het om de wegenbelasting of zo ging. Ik weet zeker dat de douane was getipt door buurtbewoners”. En hij kan zich herinneren een fietstochtje met de spaarkas van een café. ,,In Beesel, het drakendorp, kwamen we langs zo’n drakenkop, en iemand uit onze groep zei: daar hoeven we niet bang voor te zijn, die vreet allein Pruuse”.

Het zit hem, wil Helmut maar zeggen, in kleine dingen. Kleine steekjes onder water, toch wel. Maar keiharde anti-Duitse agressie heeft hij nooit ervaren. Ook niet rondom voetbalwedstrijden Nederland-Duitsland. ,,Wat plagerijtjes over en weer, meer niet”. En nee, hij voelt ook geen anti-Duitse sentiment in andere delen van Nederland. ,,In Amsterdam en overal is iedereen ook gewoon vriendelijk tegen mij. Wél hoor ik vaker dat in Rotterdam iets meer anti-Duits gevoel heerst”.

Op de vraag of hij dat begrijpt kijkt Helmut even verbaasd. Nee dus, hij heeft geen idee.

Bombardement van Rotterdam? 14 mei 1940? Helmut zet grote ogen op. ,,Door de Duitsers..?”, vraagt hij nog.

En of Nederlanders vaak tegen hem beginnen over de oorlog, nee, eigenlijk nooit.

,,Iedereen merkt wel meteen aan me dat ik Duitser ben, en heel vaak gaan mensen dan onmiddellijk Duits spreken”, zegt Helmut. ,,Is dat negatief bedoeld?”, vraagt hij zich hardop af. ,,Doen ze dat omdat ze denken ‘Och, die Duitser verstaat toch geen Nederlands’?”

Want dat is dus niet het geval. Helmut verstaat nagenoeg alles, zowel het Nederlands als het dialect. ,,Maar ik vind het wel unheimlich schwer om in het Nederlands of dialect terug te praten. Ik heb het nooit echt leren spreken, nooit een cursus gehad. Met mijn vrouw spreek ik Duits, ik ben ook altijd in Duitsland blijven werken, het is er nooit echt van gekomen. Heel onbevredigend eigenlijk”.

Het gevolg is wel dat zijn woordenschat nu nog steeds te klein is, vindt hij zelf, om actief Nederlands te spreken. ,,Dus heb ik altijd van die komische gesprekken: ik in het Duits en de anderen praten terug in Nederlands of dialect”.

Maar hij komt er altijd wel uit met zijn gesprekspartners. Rest de vraag: waarom toch wil hij anonimiteit? Omdat, zo legt hij nog eens uit, hij niet wil dat zijn vrouw zakelijk last krijgt met een interview als dit. En die ene persoon die hem ooit zo kwetste hoeft dat ook niet in de krant terug te lezen. Want voor het overige, benadrukt Helmut nog maar eens, heeft hij het prima naar zijn zin in Nederland. ,,Sterker nog: ik voel me hier beter dan in Duitsland!”.

Terug naar menu >